Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE HINDU-JAVAANSCHE PLASTIEK.

Uit berichten van de Chineesche pelgrims, die Indië bereisden en tevens in den Archipel verwijlden, zoomede uit de oudste sanskrit-inscripties van Borneo en West-Java, blijkt dat de Indische beschaving reeds in de 5* eeuw ingang vond in Insulinde. De eerste kolonisten waren hier Wishnuïtische Brahmanen. Zij kwamen uit de Zuid-Indische Tamil-landen en behoorden dus tot het donker getinte Dravidische ras, dat destijds nog niet beïnvloed was door de cultuur der blankere Ariërs uit het Noorden. Eerst tijdens de Gupta-periode (5* en 6* eeuw) komen Sumatra en Java in aanraking met genoemde Arische beschaving. Deze is overwegend Buddhistisch.

Midden-Java vooral wordt nu het groote aantrekkmgspunt. In de 8* eeuw vinden wij daar een bloeiende sculptuur in dienst eener hoog ontwikkelde bouwkunst. Mahayanistën en Ciwaïten leven er vreedzaam naast elkaar en kennen blijkbaar slechts één nobelen naijver: elkaar te overtreffen in het optrekken van luisterrijke godshuizen.

In de Midden-Javaansche bloeiperiode (=t 750—950) mag de kunst klassiek Indisch heeten. De tradities uit het stamland worden getrouwelijk geëerd. Verrassend blijft het evenwel dat de kunst toch een éigen karakter heeft en in haar vlucht de moederlandsche soms voorbij streeft. Dit merkwaardige verschijnsel doet zich o.a. voor bij den Borobudur (±'2* helft 8* eeuw). Bij dit op Indische overlevering teruggaande 'heiligdom, is de stüpa-idée toch op geheel origineele wijse verwerkelijkt geworden; in dezen „Lichtenden Toren der Wet" heeft zich de Buddhistische kunst op zuiverder en magistraler wijze gekristalliseerd dan in eenigen Voor-Indischen stüpa.

29

Sluiten