Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mag ongetwijfeld gelden als de fijne Javaansche inslag op de hechte Indische schering der Hindu-kust.

Wanneer wij de Midden-Javaansche plastiek in haar geheel overzien, dan blijven ons by als op den voorgrond tredende kwaliteiten: ingetogenheid met nu en dan een sprankje schalksche humor, volstrekte reinheid en kuischheid; een bekoorlijke weekheid van modelé met zoetvloeiende contouren. Voorts weet de plastiek het karakter te bewaren van zuivere steensculptuur. De vormgeving blijft immer binnen de grenzen, die haar gesteld werden door aard en structuur van het vulcanische trachiet-gesteente.

De laat-Midden-Javaansche kunst, waarvan het Ciwaïtische Loro-Djonggrang-complex te Prambanan de luisterrijkste uiting is, vormt de schakel met de Oost-Javaansche. Deze begint eerst recht te bloeien, wanneer op Midden-Java de cultuur ten gronde is gegaan. In de Oost-Javaansche kunst weet de beeldplastiek nog nu en dan haar klassiek cachet te bewaren. Over het algemeen echter herneemt de, intusschen door Indische impulsen gevoede, Indonesische kunst haar rechten en doemt voor ons op de markante Oost-Javaansche sculptuur. De vorm wordt strakker, de contour hoekiger. Deze terugkeer naar inheemsche vormenspraak openbaart zich het sterkst in de reliefplastiek met haar typisch Javaanschen Wajang-stijl.

Na den ondergang van het Oost-Javaansche ryk van Modj opahit en de zegepraal van den Islam (einde 15* eeuw), valt de domper op de kunst en gaat de sculptuur op Java te niet. Tot den huldigen dag wist zij zich evenwel te handhaven op het gebenedijde Bali. Dank zij de insulaire afzondering van dit laatste vluchtoord der Hindu-Javaansche cultuur is de beeldhouwkunst hier levend gebleven. Het beitelen in den

31

Sluiten