Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

5

in hoofdzaak negatieve opmerkingen zijn te maken, tot staving van de waarheid, dat de Nederlandsche dichters zich toenmaals nog zonder meer aan een als vanzelfsprekend gebruik hielden, dat geen theoretische uiteenzetting vereischte. Als dan echter in de 16e eeuw de dichters door een zeker zelfbewustzijn gedreven worden tot beschouwing, toetsing, verdediging of afkeuring van hun eigen werk en dat van anderen, komen er idealen, theorieën en leuzen op, die in een meer of minder scherpe polemiek als argumenten dienst moeten doen; het doel is natuurlijk daarmee de deugdelijkheid aan te toonen van hetgeen men zelf gewoon was of als nieuwe kunstproeve wilde doen waardeeren. Van den aanvang af treft ons in deze theoretische beschouwingen het algeheele ontbreken van een helderen, voor het Nederlandsche vers van dien tijd passenden grondslag. De thans even algemeen bekende als onomstootelijke waarheid, dat de hoof daanleg onzer middeleeuwsche verzen bestaat in een groepeering van den zin om gewoonlijk vier duidelijke zwaartepunten, is in de toenmalige theorie nooit als maatstaf tot haar recht gekomen. Deze onbewuste regel der praktijk, door de theorie eerst alleen over het hoofd gezien, later tevens belemmerd, werd pas in de 19e eeuw als een Oudgermaansch eigendom begrepen en in het licht gesteld. Op het eerste gezicht moge dit bevreemden, in werkelijkheid zou er echter een wonder van oorspronkelijkheid noodig geweest zijn, om een dergelijk begrip reeds in de middeleeuwen te doen opkomen. Niets toch lag verder af van de geijkte denk- en leerwijze. Immers wat de meest geleerden uit de schatkamer hunner kennis konden aandragen, waren begrippen en termen aan de klassieke prosodie ontleend, die zoo zij al werkelijk gevoeld werden, wat wij niet in twijfel behoeven te trekken, toch nooit anders dan aangeleerd konden zijn. En de muziek, wier ontwikkeling in later eeuwen het juiste begrip der versstructuur zoo zeer zou helpen bevorderen, kon nog evenmin van nut zijn. Ook haar toenmalige officieele beoefening toch was nog te weinig zelfstandig ontwikkeld en eveneens aan de klassieke muziek gebonden. In later tijd kon zij tot een voorbeeld strekken met haar stelsel van gelijke maten, bestaande uit een willekeurig aantal langere en kortere noten met een bepaalden gezamenhjken tijdsduur; toen kende ook haar theorie niet anders dan lange, korte en nog kortere noten, die telkens in de verhouding van 2 : 1 tot elkander stonden en overigens nog aan allerlei meer of

Sluiten