Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

minder ingewikkelde, misschien gedeeltelijk bloot theoretische regels moesten beantwoorden, waardoor zij tot maat-eenheden van telkens 3 tempora werden samengekoppeld; gemakkelijk herkent men in haar een vervorming der klassieke metriek. Zeker zal niet elk gezongen of gedanst wijsje zich in het landelijk gebruik om de regels der klooster-wijsheid bekreund hebben, maar ook hier kon de praktijk der ongeleerden geen eigen theorie scheppen.

Met het optreden van een theorie van den Nederlandschen-versbouw doet tevens de klassieke versbeschouwing haar intrede; in het eerst slechts middellijk en als het ware ter opluistering van beschouwingen, die eigenlijk niet in haar hun punt van uitgang hadden. De eerste strijd, die de Nederlandsche dichters verdeeld heeft : en een ieder dwong zich van het zijns oordeels verkieselijke rekenschap te geven, was de strijd over het aantal lettergrepen. Deze zal zijn organische oorzaak gehad hebben in het door sommigen gevoelde bezwaar, dat de algeheele vrijheid in bandeloosheid dreigde over te gaan; er kwamen kamer-regels en een „landsgebruik" op, waardoor aan het aantal lettergrepen van een vers een zekere grens gesteld werd, regels die blijkbaar op vele plaatsen ingang vonden, waartegen echter bestrijders als tegen een belemmering der vrijheid in het kamp traden. De praktijk der Romaansche getelde verzen werd daarbij natuurlijk als verkieselijk of verwerpelijk in het geding gebracht; zeker zal zij op de voorstanders ook als navolgenswaardig voorbeeld invloed gehad hebben. Temidden van dezen strijd bevinden wij ons bij De Casteleyn en Coornhert en ook later nog onder de Noordnederlandsche rederijkers; dit punt beheerscht hun beschouwingen, voorzoover die op de eigenlijke versstructuur betrekking hebben. Deze op een bijzonder onderdeel vande praktijk berustende polemiek steunde dus geenszins in de eerste plaats op klassieke theorieën. Zij was echter reeds voorbestemd om daaruit haar verdere kracht te putten, in zooverre zij haar aanvang nam bij de beschouwing der afzonderlijke lettergreep als een element van versbouw; een opvatting, waartoe het Germaansche vers eigenlijk volstrekt geen aanleiding gaf, die echter door den toevalligen stand van ont^vikkeling, door het Romaansche voorbeeld en door hetgeen de geletterden van hun Latijnsche schrijvers hadden opgestoken, in de hand werd gewerkt.

Op het einde der 16e eeuw neemt de theorie grooter uitbreiding en vaster vormen aan; in gelijke mate wast de klassieke invloed,

Sluiten