Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

7

daar ieder nieuw gezichtspunt slechts voortspruit uit een nieuwe toepassing van een klassieke norm of regel op de Nederlandsche praktijk. Wel traden er bij tijden tegen het eene of andere leerstuk ketters op; maar dit belette niet dat men ten slotte toch den waan staande hield, dat het Nederlandsche vers beantwoordde aan een theorie die voor klassiek doorging. In hoof dzaakabestond de overeenkomst daarin, dat men eenige weinige aan de klassieken ontleende termen bezigde, om het vooral onder Franschen invloed algemeen geworden Nederlandsen gebruik te omschrijven. Men onderscheidde lettergrepen en voeten, waartusschen echter nog een manalsSpiegheleigenhjkhetverschilnietrecht begreep; dan bracht men verband tusschen de klassieke „voeten" en de hoorbare evenwichtige versdeelen van het Germaansche vers en zoo tevens tusschen de zoogenaamd lange lettergrepen, waarmee een behoorlij ke Nederlandsche voet geacht werd te beginnen, en de rytlmiische zwaartepunten, die wij als versaccenten plegen aan te duiden.

Een volledige Nederlandsche theorie zou zoodoende in opzet gelijk geweest zijn aan de Latijnsche; alleen koos men van alle daar bekende soorten van voeten er slechts enkele ten gebruike uit en behield van alle klassieke verssoorten alleen die, welke uit een vast aantal gelijke voeten bestonden. Zoo kon het komen dat, als men den term metrum of „maat" overnam, om daarmee de verschillende versvormen aan te duiden, deze ondersAdding op niets anders meer zag, dan op het aantal voeten en dus, daar die voeten gewoonlijk „iamben" waren, ten slotte eenvoudig de lengte van het vers bedoelde. Voor den rytiimischen gang, dat zou dus zijn de lengte en den aard der voeten, gebruikte men daarnaast een tijdlang den weinigzeggenden en nooit helder omschreven term „trant". Het zoeken naar wat in onze taal nu wel lange en korte lettergrepen waren, nam echter steeds als voornaamste punt de belangstelling der theoretici in beslag en door zijn onmiddellijk verband met de praktijk miste dit deel der versleer zijn invloed niet. Onder deze leus besteedden dichters en taalkundigen alle moeite om de lettergrepen van het Nederlandsch naar hun gewicht te rangschikken. Enkelen wisten te goeder ure ook rekening te houden met het verschil, dat de plaats der lettergreep in het vers aan haar gewicht kan toebrengen. Zoo roerde de theorie dus ondanks haar zelf wel eens punten aan, die met het ware versrythme althans in verband staan.

Sluiten