Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

boven bedenking geacht mag worden? Wij willen deze vraag thans hier niet beantwoorden, maar slechts trachten van uit de geschiedenis van den Griekschen versbouw zelf te leeren inzien, in hoeverre de veronderstelling van een dergelijk physiek verschil reden van bestaan heeft. Immers zeker is, dat men in de Westeuropeesche beschaving deze opvatting huldigt, omdat men haar van de klassieken zoo geleerd heeft en in den waan verkeert, dat dit bij hen zoo was en altijd zoo geweest is en bij gevolg ook bij ons wel zoo zal zijn en blijven, althans zou behooren te zijn en te blijven. Nog niet zoo heel lang geleden had men dan ook met die opvatting niet kunnen breken, zonder daardoor de klassieken en de klassieke philologen voor het hoofd te stooten. Nieuwe inzichten echter, die zich als ketterijen aandienen of door de officieele wetenschap als zoodanig gebrandmerkt worden, zullen voorshands veelal beroering wekken, hoezeer zij misschien later blijken vruchtbaar zaad te hebben verspreid. Dit gevaar is thans niet meer te vreezen. Sedert ook in de klassieke philologie een op de Nieuweuropeesche wetenschap geschoeide historische methode wordt toegepast, hèllt menig onaantastbaar leerstuk der humanisten moeten vallen. Zoo mogen wij thans vrijelijk uitspreken: dat het klassieke metrische verssysteem een voortbrengsel is van de bijzondere ontwikkeling der Grieksche dichtkunst, in historischen tijd ontstaan en in zijn ontwikkeling tamelijk wel te volgen; dat er dus een tijd geweest is dat de Grieken zelf verzen maakten, zonder van lange en korte lettergrepen te weten — om van de Romeinen geheel te zwijgen, die het Grieksche systeem later als een sluitend geheel overnamen en hun eigen taal daarvoor eerst pasklaar moesten maken. Van groot belang zijn in dit verband de studiën van Rud. Westphal geweest, die in talrijke geschriften aan de hand der Grieksche theoretici, vooral van Aristoxenos van Tarente, het eigenlijk muzikale karakter der zuiver metrische lang-kort-opvatting in het licht heeft gesteld; zijn boeken hebben echter, in menig opzicht zeker te recht, een scherpe kritiek gevonden. In onzen tijd nu komt Otto Schroeder in zijn Vorarbeiten zur griechischen Versgeschichte (Leipzig, Berlin 1908) tot de volgende stelling: „Die griechische Verskunst beruht auf zwei Urmassen: dem enoplischen, das nach Hebungen rechnet, mit ungemein freien (zweikürzigen, einkürzigen, langen oder auch unausgepragten) Senkungen, und: dem aolischen, das lediglich Sil-

Sluiten