Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

13

ben zahlt, gegen Rhythmus und gegen Quantitat im Prinzip gleich unempfindlich ist" (p. 160); „Zweizeitigkeit der Lange, den beiden griechischen Urmassen noch fremd, hat sich überall erst unterm Einfluss des Flötenspiels durchgesetzt" (p. 85—86 noot). En wie ook het gezag van dezen geleerde niet als een afdoenden waarborg mocht wenschen te beschouwen, neme den juist verschenen bundel Griechiche Verskunst van U. von Wilamowitz-Moellendorff (Berlin 1921) ter hand. Dit door zijn rijk^dom schier onhandelbare boek, welks eerste hoofdstukken zeker ook buiten den kring der klassieke philologen belangstelling zullen moeten vinden, besluit met een overzicht der Grieksche versbouw-wijzen, waaruit wij slechts enkele zinnen behoeven aan te halen: „I. Der Urvers ist ein ganz freier Vierheber oder Achtsilbler, mit Vorliebe stumpf schüessend" (p. 612) en „II. Neben dem Urverse mit vier Hebungen steht gleichwertig der Sprichwortvers, EnopUon, mit freier Füllung der Senkungen" (p. 613). Juist ten opzichte van hetgeen voor ons doel belangrijk is komt dus Wilamowitz tot hetzelfde besluit als Schroeder: de Grieksche verskunst hield aanvankelijk geen rekening met het verschil tusschen lange en korte lettergrepen. De Grieksche dichters wisten dus oorspronkelijk evenmin van de verhouding 2 : 1 als de Germaansche of de Latijnsche, eer zij dit uit de Grieksche theorie geleerd hadden, of als de Indische, voordat zij in betrekkelijk laten tijd de arya-schema's invoerden.

Van dezeoudste, slechts „Hebungen" of syllaben tellendeGrieken leidt een lange weg van historische ont- en verwikkeling tot de bekende uitspraak van Quintilianus: longam [syllabam] esse duorum temporum, brevem unius, etiam pueri sciunt (Inst. Orat. IX, 4, 47). Ons onderwerp laat niet toe, ons in dezen zeker hoogst belangwekkenden wordingsgang meer in bijzonderheden te begeven; wij zouden daardoor ook een gebied [betreden, dat het past aan meer bevoegden over te laten. Echter mag men reeds op grond van deze zeer beknopte uiteenzetting wel als zeker aannemen, dat het door de Grieksche en de daarvan afhankelijke latere verstheorie gepostuleerde, vaste verschil tusschen lange en korte lettergrepen niet op een werkelijke noodzaak der uitspraak berust en ook niet een bestaansvoorwaarde van versbouw in het algemeen kan zijn, zelfs niet bij de Grieken, — maar dat deze onderscheiding veeleer juist bij hen het gevolg is eener zeer

Sluiten