Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

bijzondere ontwikkeling, door hun dichtkunst in nauw verband met hun muziek bereikt. Dit doet niets af aan de mogelijkheid, dat deze Grieksche verstechniek een bepaaldelijk voor de Grieksche uitspraak zeer geschikte norm kan hebben toegepast, of dat deze dichtkunst later, en thans nog, ook voor andere volken en talen een navolgenswaardig voorbeeld kan zijn. Zij is echter geen natuur- of spraakwet, doch een kunsttheorie.

Wij meenen dan ook in het minst niet hiermee de geheele quantiteiten-leer voor waardeloos te verklaren, wat even dwaas als doelloos zou zijn. Alleen is het noodzakelijk dat men zich, alvorens tot de beschouwing der feiten over te gaan, zuivert van een vooroordeel, dat door de eeuwen heen zoo diep in de algemeene voorstelling is vastgeroest, dat het velen thans nog bij de minste onnadenkendheid weer zou kunnen beïnvloeden en het vrije gezicht op de werkelijkheid zou moeten belemmeren. Men moet dit leerstuk, deze wijsheid die „ieder kind weet", leeren zien als een verschijnsel in de historie der denkvormen.

Langs welken weg men de normen der gebonden rede, de bevrediging van den rythmischen zinsgang in het vers, wél moet zoeken, zal het onderwerp van het tweede gedeelte van dit werk vormen. Thans hebben wij het optreden en de ontwikkeling der theorie te beschouwen, zooals deze zich in Nederland en met betrekking tot het Nederlandsen vertoont.

Theorie en praktijk in het Middelnederlandsch tijdvak.

Het zou misschien gerechtvaardigd schijnen indien wij over de Middelnederlandsche dichtkunst zwegen. Niet alleen toch heeft dit tijdvak onzer letterkunde geen eigenlijke verstheorie opgeleverd, maar zelfs ontbreekt bij de dichters elke aanwijzing omtrent eenige bewuste bedoeling of voorstelling daarvan. Toch is het eensdeels gewenscht ook dit ontbreken van theorie te constateeren, en anderdeels noodzakelijk voor het begrip der 16e eeuw, dat ook aan het voorafgaande tijdperk eenige aandacht geschonken wordt.

Boendale rept in zijn bekend hoofdstuk „Hoe dichters dichten sullen ende wat si hantieren sullen" (Lekenspiegel III, 15) met geen woord van deze zijde van des dichters bedrijf; de bewerker van „Ons Heren Passie" (Tijdschr. v. Ned. T. en Lett. XXV, 211

Sluiten