Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

Ten overvloede zij hierbij opgemerkt, dat men zich wachten moet voor verder strekkende gevolgtrekkingen uit de overgeleverde melodieën bij middeleeuwsche liederen. Het verschil tusschen langer en korter noten behoefde toen zoo min als thans verband te( houden met meerder of minder „lengte" der daarop gezongen let- \

tergrepen. En zelfs al zou dit zoo zijn, dan nog moet men in het oog houden dat de geregelde maatindeeling, waarin de melodieën thans gewoonlijk worden opgegeven, steeds afhankelijk is van de interpretatie van den modernen uitgever1); het is juist veelal een punt van geschil of men in een reeks noten een afwisseling van langere en kortere, dan wel louter gelijke moet erkennen; voorts is het zeer wel mogelijk en zelfs waarschijnlijk dat een melodie, ook wat haar maatgang betreft, niet steeds op dezelfde wijze gezongen is. In het algemeen mag regelmaat in dezen bij het volkslied geenszins steeds een aanwijzing van het juiste heeten.enkan het streven daarnaar dus ook geen wenschelijk richtsnoer voor den uitgever aan de hand doen.

Bij de rederijkers wordt het verschil tusschen de voordrachts verzen en de gezongen liedekens erkend en uitgesproken als een verschil tusschen vrijheid en gebondenheid. Het onderscheid is daar grooter dan in de oudere Middelnederlandsche litteratuur. Het „volksepos" gaat zich betrekkelijk nog zelden in lange uitbreidingen te buiten; het volkslied laat vrijheden toe, die in de melodie nog geborgen kunnen worden, zij het soms met eenige moeite. De rederijkkamers nu stelden orde op de voordracht; goede duidelijke uitspraak behoorde tot het vak 2). De teksten der liedekens moesten in alle strophen even goed bij de eens gekozen melodie passen en ook in de gewone spreekverzen diende tegen al te breedvoerige uitspruitsels gewaakt te worden; deze toch moesten aanleiding geven tot haastiger en minder overwogen „parlando's" in den toch zeker traditioneel vastgelegden declameertoon. Op dezen grond kon gemakkelijk ook het voorbeeld der Fransche broeders, die in hun getelde verzen een dergelijke moeilijkheid zelfs niet kenden, tot navolging opwekken, zonder dat men daar-

*) Flor. van Duyse zelf, de bewerker van „Het Oude Nederlandsche Lied", verklaart eens dat „gevoel en smaak, zoowel als de aard van het lied [moeten] beslissen op welke manier de oude zangwijs in moderne notatie over te brengen is" (De melodie v. h. Nederl. lied en hare rhythmische vormen, blz. 274).

*) Zie de voorschriften van M. de Casteleyn, Const v. Rhetor, 122 vlg. 180.

Sluiten