Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

siedijt my niet allomme zoo sorteren Ontfanght ghy ditte voor een discipline / Wylieden en meughen niet dese pine Maer vought u ghy om alzo te stellene: Tes my ghenough ghevick de doctrine Zusters en Broeders zijn my te langh te tellene" (Const 85). I Soortgelijk hooren wij in de Twe-spraack verklaren dat: „ghelyck | luydende regels van ener langte behóren te zyn" (blz. 57), hoewel daar in het vervolg van denzelfden zin nog veel verder gaande eischen gesteld worden. In de praktijk der 16e-eeuwers valt dit streven inderdaad dikwijls waar te nemen.

Daartegenover staat als zwakke poging om het inheemsche vrije vers op een algemeenen grondslag te plaatsen, de bekende uitspraak:

Wy leeren nochtans uten poëten / (Wiens compositie ick ooeit vul weerden sagh) Dat een reghel duerd / ongheteld / ongheméten /x) Alzo langhe alst eenen aesseme heerden magh.

5 (Const 102)

die eenigen tijd later nog ongeveer gelijk door Coornhert herhaald wordt (voor zijn Eerste XII boecken Odysseae, 1561). Het rederijkersvers had reeds toen geen toekomst meer en het zou geen rythmische theorie meer mogen ontwikkelen; maar deze grondslag daarvoor was zoo dwaas niet als Huizinga Bakker (1781) in zijn bijna komische verbazing wel meende: „Wat lessen zijn dit ? wie heeft ooit gedagt de langte van een vers te meeten, niet met de maat der lettergreepen; maar met die van een sterken of zwakken adem?" (Werken Mij. Lett. V, 102). Had iemand daar maar eens aan gedacht! Trouwens reeds Bilderdijk zag althans de historische beteekenis ervan in: „Deze uitdrukking, zoo belachlijk zij ons thands ook voorkome, behelst eene algemeene waarheid, welke bij alle Volken doorstraalt" (Mengelpoezij I, Amsterdam 1799, Voorrede blz. VII; vgl. beneden blz. 89).

Hiernaast echter verrast De Casteleyn ons met eenige voorbeelden van „metrische verzen", al rangschikt hij die ook onder de / niet na te volgen kunstjes der „rhetorijke extraordinaire": namelijk de „veersen in dichte", d.w.z. klassieke metrische versus op rijm2), te weten: Phaleucium carmen, Tetrastichon elegidion,

') Deze beide termen zijn hier m. i. als synoniem te beschouwen, immers „meten" beteekende niet anders dan de lengte bepalen en dat deed men alleen door tellen.

a) „Veers" gebruikt hij alleen op deze plaats, terwijl „dicht" een gewone term voor rijm of rijmvers is.

Sluiten