Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

Hoe kwam De Casteleyn aan zijn theoretisch criterium: de ademlengte? wat beteekenen zijn „veersen in dichte" voor de Nederlandsche metrische theorie? — Aan de bronnen van De Casteleyn is sinds het proefschrift van Dr. J. v. Leeuwen (M. d. Castelein en zijneConst. v. Rhetoriken, Utrecht 1894) geen bijzondere aandacht meer besteed, hoewel deze studie, voor zoover zij de vergelijking met het soortgelijke werkje van Jean Molinet betreft, intusschen aanmerkelijk gemakkelijker geworden is. Ern. Langlois, die reeds in zijn thèse (De artibus rhetoricae rythmicae, Paris 1890, p. 51 ss.) de identiteit van een in 1493 te Parijs gedrukt en verkeerdelijk op naam van zekeren Henry de Croy gesteld boekje met Molinet's in handschrift bewaard tractaat bewezen had.f bezorgde sedert in zijn Recueil d'Arts de seconde Rhétorique (Paris 1902) een volledige uitgave van het werkje, volgens dien druk en de twee bewaarde hss. (daar no. V p. 214 ss.)x). Ook het „aultre traictiét de rectoricque", door Van Leeuwen genoemd (blz. 76) en in het door hem gebruikte hs. (Bibl. Nat. ms. fr. 2375) voorkomend achter dat van Molinet, is hier afgedrukt (no. VI). Het is niet te miskennen dat De Casteleyn zich in den opzet van zijn Const telkens richtte naar het werk van Molinet, den grooten j Waalschen dichter aan het Brusselsche hof der regentes Margaretha, die in zijn tijd als de gezaghebbende meester dezer kunst mocht gelden (vgl. Const 15). Maar de rhetorijke was in die dagen niet een gevierde nieuwe Fransche dichttrant, dien men met eerbied en deemoed van de Parij zenaars trachtte af te zien, zij was de gevestigde dichtkunst der Bourgoensche landen, tweetalig als deze zelf. En even vrij en eigenrechtig als hij de Vlaamsche taal en zede voelde naast de Waalsche, even zelfstandig, soms opstandig, stelt De Casteleyn zich tegenover den ouderen Waalschen leermeester. De stof voor zijn verhandeling zocht hij dan ook niet verder bij de Franschen; De Roovere is de groote Vlaamsche dichter (Const 14), de Grieken en Romeinen zijn de klassieke voorbeelden der dicht- en redekunst (Const 30 vlgg.). Als priester had hij een zekere klassieke opleiding genoten, de humanistische wetenschap van zijn tijd is hem niet vreemd. „Die wel Latijn ende ander talen can" heeft een grooten voorsprong op

') Voor de verschillende 15e-eeuwsche herdrukken, de uitg. door F. Michel, Poésies des XVe et XVIe siècles etc. (Paris 1830 -32) en de geschiedenis der naamsverwisseling vgl. Langlois' Recueil, Introduction p. LVI ss.

Sluiten