Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

21

de „leecken" (Const 98). Juist de beruchte uitspraak over de verslengte, waaraan Van Leeuwen geen bijzondere aandacht wijdt (blz. 49), is klaarblijkeUjk ontleend aan Io. Lod. Vives, den vermaarden Spaanschen geleerde (1492—1540), die een aanzienlijk deel van zijn leven in de Nederlanden doorbracht. In het 3e boek van diens De ratione dicendi, vindt men een hoofdstuk „de poeticis", waar de lengte van een vers aldus wordt bepaald: „non enim minimum, ut breuiorem quatuor syllabis, nee longiorem iusto spiritus decursu, nempe non supra sedecim syllabas, aut uiginti" en iets verder verklaart hij: „nulla remansit uocum coniunctio a quinque syllabis ad uiginti, quae non habita sit pro uersu"1). De laatste bewering vindt men bij Coorrmert letterlijk terug (zie blz. 35). Hetzij dit nu een persoonhjke opvatting van Vives, dan wel een meer algemeene beschouwingswijze van het vers is geweest, in elk geval is het duidelijk uit welke literatuur de leer van de ademlengte afkomstig was, en tevens aan welke conclusiefout de beide Nederlanders zich schuldig maakten, door deze ruime begrenzing van den voor alle soorten van versvorm denkbaren omvang — want dat is klaarbhjkehjk Vives' bedoeling — te gebruiken als vrijbrief voor de ongebondenheid van één bepaalde, verssoort, den redenrijkschen „vollen reghel".

Zoo moeten ook De Casteleyn's „veersen in dichte", die hier in het bijzonder van belang zijn, zonder bedenking aan zijn eigen klassieke vorming worden toegeschreven; daarvoor hoeft hij slechts iets van Vergilius, Ovidius, Horatius, Catullus en Terentius gekend te hebben; zij zijn niet meer dan een op zich zelf staande curiositeit. Waarschijnlijk heeft hij deze brokstukjes opzettelijk vervaardigd ter wille van de volledigheid en uitsluitend met een paedagogisch oogmerk. In de Fransche „arts" van vóór zijn tijd vindt men niets van dien aard, en nog de „Art poétique francoys" van Thomas Sebillet2) van 1548 (dus even oud als de Const) doelt in het laatste hoofdstukje, waarin o.a. over „vers non ryméz" gesproken wordt, slechts op rijmlooze telverzen. De werkelijk metrische pogingen naar klassiek systeem van een Jodelle, Baïf, Du Bellay en Desportes beginnen juist iets later; bij Fransche noch Nederlandsche rederijkers treft men die vóór dezen tijd aan. En De Casteleyn schreef zelf een soort opdracht voor

') Io. Lod. Vivis Opera, Basileae 1555,1 p. 147.

') Uitg. Félix Gaiffe, als Thèse complémentaire, Paris 1910, chap. XV, p. 192s.

Sluiten