Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND

zijn Const in Latijnsche phaleucia of hendecasyllabi, zooals hij ze hier noemt1).

E. van der Donck. — Het zou noodig zijn hier nog melding te maken van een, ander getuigenis uit de eerste helft der 16e eeuw, namelijk dat van zekeren Enghelbrecht van der Donck, indien niet gebleken was dat het belang, dat Prudens van Duyse (Nederl. Veisbouw I, 21) daaraan meende te moeten toekennen, op een misverstand berustte. Van dezen Antwerpschen pater is een handschrift bewaard, dat o.a. gedichten van A. Bijns bevat en verkeerdelijk op 1523 werd gedateerd; daarin komt ook een tiental rondeelen voor, bestaande uit louter verzen van Plettergrepen. Een op die tien onbeduidende gedichtjes doelende opmerking, waarin de woorden voorkomen „ghy selt in elc reghel xij. silben tellen", gaf aanleiding tot een uitvoerige behandeling van dezen Vander Donck, als vroegsten voorlooper der 17eeeuwsche alexandrijn-dichters, eerst in een Vlaamsen boekje van het eind der 18e eeuw, de nog te noemen „Historie, Regels ende Bemerkingen", later op gezag daarvan door Van Duyse. Vergelijk hierover uitvoeriger Nieuwe Taalgids XV (1921) blz. 138—141.

Overgang tot de nieuwe versmaat.

Met De Casteleyn, den oudsten Nederlandschen theoreticus, den gelauwerden rederijker, staan wij eigenlijk reeds in den aanvang van dat lange tijdvak van onrust en ontwikkeling in onze verskunst, dat van den naleven en lossen middeleeuwschen versval tot de strenge, gewichtige en breedestapmaat onzer 17e-eeuwsche renaissance-periode leidt. De behandeling der verschillende theoretische uitingen uit dit tijdvak is belangrijk gemakkelijker geworden door een studie van J. van der Eist. Diens opstel „De hervorming van de Nederlandse versbouw, 1550—1625" (N. Taalg. XIII, 25 vlgg.) maakt het onnoodig hier een naar volledigheid strevend overzicht van deze gegevens te doen afdrukken. Zijn uitgebreide, in chronologische volgorde opgestelde lijst van citaten, bevat uiteraard in hoofdzaak hetzelfde als wat ik verzameld had; op enkele plaatsen werd ik door hem op-

*) „Author ad librum suum", gedrukt voor de uitgaven van 1555, 1571, 1573, vgl. v. Leeuwen, blz. 33 en diens bijlage I.

Sluiten