Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

licht iets meer te zeggen, zoo men al een bepaalden persoon als den grooten man meent te moeten eeren. Hij stond althans met zijn zeker schitterende veelzijdige begaafdheid te midden van een kring, die zich in Holland om hem als leider gevormd had, waarvan hij de ziel was, en die door zijn nauw verband met de Amsterdamsche groep van Zacharias Heyns rechtstreeks bijdroeg tot die kunsttradities, waarin de jonge Vondel zijn dichter-leven begon 1).

Men zal goed doen aan geen van deze drie persoonlijkheden een al te grooten werkeüjken invloed toe te schrijven op dien machtigen ontwikkelingsgang, die ten slotte bij ons tot een toch zoo sterk nationale, volledige, christehjk-klassicistische kunst geleid heeft. Zij zijn slechts merkwaardige figuren, die elk op zijn wijze een der groote wordingswegen doen zien: Van der Noot is de uiterste en sterkste behchaming van den onmiddelhjken Franschromaanschen invloed op het nog voorgaande Zuiden, krachtiger

*) Omtrent de bekendheid van Van der Noot bezitten wij drie aanwijzingen afkomstig uit den kring van Van Mander. Tweemaal wordt hij zonder eenige onderscheiding genoemd in een opsomming van dichternamen, die beide malen met De Roovere begint en eindigt bij de oudere 17e-eeuwers Cats, Huygens, Hooft (nog zonder Vondel) namelijk door Maerten Beheyt (Nederd. Helicon blz. 73) en door Jasper Bernaerds (Leydsch Vtaemsch Orangie-Lely-hof blz. 21). Jacob vander Schuere zegt althans iets meer van hem (Toe-eygen-brief voor Tristium ofte de Truer-dichten van Publ. Ovidius Nazo... Haerlem 1612), en wel dat hij „al over meer dan vijftig jaren Alexandrine ende Kommune verzen in Nederduydsch gemaekt heft" en zich „den eersten zulk gebruycker roemd te wezen." Voorts kennen wij een prijzende uitlating in een lofdichtje van RoejnerJVïsscher „En op dat van vaeck niet soud blijven doot De / Poesie, soo waert ghij ons Jan van Noot" (N. v. d. Laan, Uit R. Visscher's Brabbeling f I, Leidsch proefschr. Utrecht 1918 blz. XXVIII). Ten slotte vindt men één weerklank i' in het Noorden van de overschatting van Van der Noot in eigen kring, uit den tijd zelf j van diens roem: voor den bundel „Refereynen, ghepronunchieert opte Intreden binnen der Stede van Delft... 20 Juni 1581, Delft 1581" plaatste de Factoor en Keyser der kamer de Rapenbloem, Pieter Jansz. Helleman, een heilwensen aan het stadsbestuur, die eindigt met de volgende bede: „So dan de Graeci hadden den vromen Homerum, D'Itali Maronem van grooter reputatie, De Francoisen Marot, mitsgaders Ronsardum, Jae ghelijck Brabant noch heeft tot deser spatie, Die van der Noot begaeft met Godthcker gratie, So seer als eenich Poet oeyt is verheven bleven: S'ghelijcx verleen dan Godt voor ons Hollantsche natie"... Voorwaar een vrome wensch van iemand die een leemte voelde!

Van Hout wordt, juist in den Vlaamsch-Hollandschen kring, althans tweemaal met groote eere genoemd, als de eerste toepasser der nieuwe maat; en wel door Van Mander zelf, die in de Voorreden van het Schilderboeck bekent door hem tot het ware inzicht gekomen te zijn, en door M.Beheyt, die aan hem om deze daad zelfs een geheel refereyn „Van 't maetvinden" wijdt (L. VI. Or.-Lely-hof, blz. 2-3). Ook Spieghel zal in hem een voorganger gezien hebben (vgl. beneden); het versje van Roemer Visscher (v. d. Laan t. a. p. 79) bewijst in dezen niets.

Volgens Christiaen van Heule is het „recht gebruyc" der voetmaat het eerst waar te nemen bij Aldegonde en Karei van Mander (Nederduytsche Spraec-konst 2e dr. Leyden 1633, blz. 143; in den len dr. van 1626 komt deze passage nog niet voor).

Sluiten