Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

Indien wij thans de ontwikkeling van den versbouw nagaan, zal wel overhelder blijken dat het niet één man, en zeer zeker niet Hooft geweest is, die een bepaald en vast begrensd nieuw gebruik heeft ingevoerd. Hooft aansprakelijk voor den „nachtwakerskleptoon"! Merkwaardig is het, hoe reeds Huizinga Bakker, als hij zijn geheele betoog tot Hooft's verheerlijking voltooid heef yen men gereed zit om met een overtuigd hoera te besluiten, ineens nog schoorvoetend met Cats voor den dag komt, over wien hij tot hier toe zooveel mogelijk gezwegen had, en dien hij nu met alle omzichtigheid ook nog bij Hooft in de schoolbank tracht te dringen. Maar Cats is met geen püchtplegingen te paaien, noch ook met grootsche verachting weg te kijken, zooals men later wel gepoogd heeft: hij is er; en zijn „kleptoon" bestond reeds, toen Hooft nog Italiaansche en Fransche voorbeelden voor zijn „vier veranderingen" samenstelde en caesuren corrigeerde1).

Regeling der verslengte bij de Rederijkers.

In de 16e-eeuwsche ontwikkeling van den versbouw hebben reeds vroegere schrijvers terecht onderscheiden: 1. het tamelijk oude en onder de rederijkers spoedig zeer verbreide streven, om de lengte der verzen in ernstige poëzie eenigszins te beperken, door grenzen te stellen aan het aantal lettergrepen; en 2. de eerst tegen het eind der eeuw gewekte belangstelling voor de rythmische eischen der bijzondere plaatsen in het getelde vers en voor de eigenaardigheden der woordsyllaben, die hen voor een of andere plaats al of niet geschikt doen zijn, in het kort: voor de lange en korte, zware en lichte, sterke en zwakke lettergrepen, of hoe men ze anders al genoemd heeft.

verfraaiing van zijn werk niet althans gedeeltelijk aan de prudentie der heeren v. d. Burgh en Brosterhuizen zou hebben overgelaten. Ik onderdrukte die gedachte toen, in de overtuiging dat zijn nauwgezetheid dit niet zou hebben toegelaten, maar misschien was hij toch te zeer in zijn Historiën verdiept. Indien men zich overigens de vraag stelt, waarom Hooft wel tot al deze hachelijke verbeteringen is overgegaan, bedenke men dat dit niet alleen ter wille van een abstracte theorie gebeurde, maar wel degelijk ook een behoefte was geworden, naar mate de praktijk der versvoordracht met die theorie gelijken tred hield. Dit gold voor de kleinere gedichten binnenskamers, maar meer nog voor de dramatische op het tooneel. Inderdaad, indien de acteurs verzen als van de Granida van 1615 niet goed voordroegen, waren het in 't geheel geen verzen meer. Dan was veranderen noodzaak en ook de meest bedenkelijke verbetering van den dichter zelf nog wel te verkiezen boven de opportunistische gladschaving, die anders door de vertolkers zou zijn aangebracht.

*) Over de theorie van Hooft vgl. het 2e hoofdstuk.

Sluiten