Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

27

Het eerste dezer beide, de regeling der verslengte, die allengs leidde tot het gebruik van getelde verzen, dienen wij allereerst te beschouwen; en wij knoopen hiermee aan bij hetgeen reeds ten opzichte van De Casteleyn gezegd werd. Bij dezen zelf, bij Anna Bijns, bij Coornhert, om daarmee slechts enkelen te noemen die van de nieuwigheid afkeerig bleven, vindt men nog het vrije vers, dat in beginsel met het oudere middeleeuwsche geheel overeenkomt; het heeft gewoonlijk vier duidelijke accentplaatsen en is overigens aan geen regels van versbouw gebonden. Een verschil j nochtans is dat hun verzen in het algemeen langer zijn dan del Middelnederlandsche. Een vers van 10 lettergrepen zou men vroe-' ger onder de lange moeten rekenen, in dezen tijd zal het tot de kortste behooren; een gevolg daarvan is dat men doorgaans een vrij_duidelijke middenrust kan waarnemen, die in kunstige rijmschema's gaarne door een binnenrijm wordt versterkt *).

Behalve de „doctrine" van De Casteleyn, die een lengte van 9 ' en 12 als gebruikelijk opgeeft maar verder vrijheid laat tot 15 toe, en van de Twe-spraack, die als verkieselijk noemt een lengte van 10 tot 14 lettergrepen, bezitten wij een rijk materiaal aan voorschriften van verschillende tijd en plaats in de uitnoodigingen of ' chaerten der rederijkersfeesten. Deze werden gewoonlijk mede afgedrukt in de bundels, die de bij zulk een gelegenheid vertoonde of voorgedragen werken bevatten; soms ook bewaren de inleidingen, opdrachten of andere gedeelten van het voorwerk dier bundels gewenschte gegevens. Op het feest te Gent in 1539, dus nog voor De Casteleyn's boek, schijnt men zich met dergelijke beslommeringen nog niet in het bijzonder te hebben opgehouden; de chaerte werd weliswaar niet in den bundel afgedrukt, maar uit de spelen en refereynen blijkt dat volkomen vrijheid gelaten was. Anders echter te Antwerpen in 1561, waar de beperking zelfs zeer groot is: „Soo is te weten / datmen in desen ende dyerghelijcke spelen ende dicht oft rijme / stellende is van x. tot xij. syllaben in eenen reghel oft veers / sonder daer ouer te passeren". (Totten goetvvillighen Leser, blz. 7 slot). De „charte" van het landjuweel zelf bevat eigenlijk geen duidelijk voorschrift; in die voor het bij dezelfde gelegenheid gehouden haechspel lezen wij „Hout Lengde en Mate soomen plach in Brabant", waarmee be-

') Een merkwaardig voorbeeld hiervan uit reeds „klassieken" tijd vindt men bij Hooft in de Voor-reden van den Ware-nar.

Sluiten