Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

29

Witte Accoleyen van Leiden daarentegen verlangen in datzelfde vruchtbare jaar verzen van „12 en 13 syllaben". De Sonbloem van de Kethel vergenoegde zich in 1615 weer „met Hollantsche maet", in marg. nader bepaald als: „Tusschen lOen 14sillaben."

In een uitnoodigingsbrief van Febr. 1616 aan den Groeyenden Boom te Lier, eischte de Antwerpsche Olyftack refereinen „In maete als dees Caert, dats twelff ses en seven"; dat zal willen zeggen: alexandrijnen met caesuur van 12 en 13 lettergrepen (vgl. Chr. van Lom, Beschryving der stad Lier in Brabant, 's-Gravenhage 1740, blz. 245—248). Van een inkomst die 1616(?) te Zandvoort heeft plaats gehad weten wij niet meer, dan dat de Haarlemmers van Trou moet blycken er hun twee refereynen in Fransche maat inleverden (Antwoordt Der Pellicanisten, Op de Santvoortsche Vraegh... Haerlem 1616).

Op het groote feest te Vlaardingen in Juli 1616 toonde men zich van vreemde smetten vrij en wars van allen dwang: „Niet dan Plat Neerlandsch rijmt. Begrypen [= gedachten] ende woorden Oock na Lants wyse stelt; want Landts wys' is Landts eer. Om Mate noch om Dicht en wilt gheen zin vermoorden; Slechts behoorlicken doet..." dus: weest Hollandsen in woordkeuze en woordschikking en brengt geen te groote offers voor den versvorm; bij dezen gulden regel staat nog in marg. „Sülaben doorgaens Hollantsche mate'Mn verscheiden der spelen hebben de beantwoorders echter toch naar Fransche maat gestreefd, althans in de ernstige gedeelten1). Nog liberaler waren in dezelfde maand van dat jaar de broeders van Leyderdorp, met hun bemoedigend voorschrift: „Volcht vry een vrye Maet den Aetschem laet door gaen", al waren zij zelf waarschijnhjk trotsch op hunne in Fransche maat gestelde Chaerte. Van de prinsgezinde bijeenkomst te Haestrecht in 1619 missen wij wederom den uitnoodigingsbrief; over is alleen Schiedams Rood Roosjens Spel van David ende Goliath, door den Vlaardinger(?) Job van der Wael, dat „na 't eysschen der voorgestelder Caerte" is „getrocken binnen de palen van acht hondert Rechtmaten". Vermoedelijk duidt deze ongewone term de Fransche maat aan, het spel is althans in regelmatige „alexandrijnen" (met caesuur) vervat.

Bij de schitterende intrede te Mechelen in 1620 was men nogmaals tevreden met: „Mate, soo voor 't Blasoen als

') Dit geldt trouwens voor vele stukken ook in de andere hier genoemde bundels.

Sluiten