Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

voor 't Refereyn, 10. 11. 12. 13. syllaben" (Schadt-Kiste der Philosophen... blz. 2, onder de Caerte). Anders wederom het Wit Lavendel in 1624: „U mate in 't Rymen sal zyn 12. ende 13. sillaben". De Vlaamsche Witte Angieren te Haarlem Heten in 1629 nog de keuze: „Stelt frans of kamers maet". — Maar hiermee is reeds de uiterste grens bereikt van het tijdvak, waarin de rederijkkamers nog als eenigszins belangrijke kweekplaatsen van het letterkundig leven kunnen gelden; daarbuiten was de nieuwe maat toen reeds werkelijk gevestigd.

Dit alles samenvattend vinden wij het volgende. Waar een in cijfers uitgedrukt voorschrift gegeven wordt, is steeds 10 het rninimum, 14 vooral het maximum; voor de lengte 10—14, die dan ook door de Twe-spraack wordt genoemd, blijkt de term „Hollandsche mate" in zwang te zijn, Voor de lengte 10—12, die op het boven alle uitblinkende grootsehe Antwerpsche landjuweel van 1561 was voorgeschreven, zullen wij nog den term „Brabantsche mate" ontmoeten, overeenkomend dus met het „soomen plach in Brabant" van het Antwerpsche haechspel1). Eenige malen vinden wij ook keus van 10—13 en van 10—15 of ook volledige vrijheid. Daarnaast staat dan, als de strengste beperking, de zeker ook wel als fijnste en nieuwste soort beschouwde „Fransche" maat met 12—13 of 14 lettergrepen.

Terloops worde hier nog opgemerkt, dat in de praktijk ook bij een vast voorschrift het gestelde maximum toch soms overschreden werd; ook van den regel dat de met elkaar rijmende verzen een gelijk aantal lettergrepen behooren te hebben werd wel eens afgeweken; alle broeders rederijkers waren natuurlijk ook niet even sterk in de kunst. Bij verzen die korter zijn dan 10 lettergrepen moet men echter steeds in het oog houden, dat er ook verzen van twee heffingen, zoogen. „halve regels", bestonden, voor wier lengte dan ook in het reglement (1609) der „Kersauw" te Audenaerde 5—7 wordt voorgeschreven, naast 10—12 voor heele

») Met de beteekenis van dezen vasten term zal men ook rekening moeten houden bij de beoordeeling der reeds door De Vooys (Taal en Letteren XV, 198) aangehaalde snedigheid van Richard Verstegen: „dat de Brabantsche maet behoort meer strictehjck onderhouden te worden op de Brabantsche coremerct" (voorrede zijner Nederd. Epigrammen 1624). Hij wil blijkbaar met de gangbare regels der rederijkerij mets te doen hebben; evenmin volgt hij echter de Fransche wetten. De epigrammen zijn, zegt hij ghestelt op hunne sékere maet, en hebben oockhun cadentie alsoo geobserveert, dat'sy niet tot het oor onbehaghelijck syn", als men ze maar goed leest. In het algemeen kan men zijn verzen als „yjfvoetige jamben" opvatten, al is er dan hier en daar ook een lettergreep te veel of f5~wemtg.

Sluiten