Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

33

Constighe dichters, Duytsche Rhetorisienen, hier hebdy de groote Werelt int cleyn ghebracht: ommers soo ickse u hebbe connen aen-dienen wt Orteüus Caert-boeck, heerlyck ghewracht.

Ist dat ghyer iet inne vercreupelt acht, wytet eensdeels de plaetse, en d' ander de mate die ick Brabantsche wyse in ons tale heb' ghewacht * * io, u, 12. als elck in de syne doet t' sy van wat state.

Alleen hebbe ick ghenomen tot mynder bate, de Mechelsche vocael-smiltingh', die ick in al dat ick voorts te maken dencke, altyt volghen sal.

De Poëten doent oock met vryen ghelate; en sulcx t' overtreden by hun in ongonste „ is., want rymen sonder mate, over al cleyn cönste „ is.

Zooals men zal opmerken is dit een soort sonnet, althans wat de rijmschikking betreft1). De verzen zijn vrij, of liever zij volgen de Brabantsche maat, op den kant nog eens bepaaldelijk aangeduid als van 1 ƒ0 tot 12 lettergrepen; dat dit niet te verwarren is met „mateloosheid" zegt het slotvers nog eens nadrukkehjk! Een bijzonderheid die de aandacht verdient is de „Mechelsche vocaelsmiltinghe". Deze uitdrukking ontmoette ik overigens nergens, zij kan echter niets anders bedoelen dan de gewone verbinding van slot-e met volgende begin-vokaal (of bij velen ook h-f vokaal) tot een geheel, dat als één lettergreep geteld wordt. Dit is o.a. in vs. 13 en 14 (-onste „ is) van het laatste, en in vs. 9 en 10 (dole tck... late t'ck) van het vorige gedichtje toegepast; immers anders zou in beide gevallen het vereischte aantal, resp. 12 en 11 syllaben overschreden zijn (12 is het maximum, 11 is vereischt door hetzelfde getal in de mede-rijmende regels). Deze schijnbare bijkomstigheid, die in dit tijdperk stilzwijgend algemeen begint te worden2), is van gewicht als aanwijzing van de meerdere gedragenheid, die men van het vers ging eischen; de uitgangs-e in hiaat werd als te licht en als hinderlijk gevoeld.

In 1583 verscheen de Spieghel der Werelt nogmaals, meteen nieuw voorwerk (vgl. Moes-Burger 204,232), waarin de volgende

*) Een dergelijk „vrij" sonnet schreef Coornhert 1579 in het Vruntbouc van Jan van Hout (zie Prinsen, Tijdschr. v. N. T. e. L. 22, 204).

*) „Behoudens dat ghy de e sinalepha staende an d'hende van d'woort, niet mede en telt, alser een vocale naer volght", aldus ook reeds de drukker Manilius voor L. de Heere's Hof en Boomgaerd reeds in 1565 (vgl. Eringa, Thèse 138). Deze kan den term ontleend hebben aan Joos Lambrecht (1550), vgl. beneden blz. 219 noot.

3

Sluiten