Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

Men verlaet vreemde bastaert woorden, Met st'erck ghedicht, des sins vermoorden, Men bruyck const die den sin versoet.

De klassieken dus, zoo laat hij Vives beweren, stellen hun verzen van 5—20 syllaben; het onze is zelfs niet eens „vaers" in klassieken zin (zooals ook Casteleyn dien term bezigt, zie boven blz. 18), maar rijm, het is „similiter cadens" x). Zouden wij ons dus nu een beperking opleggen, die de ouden, in wier rijmlooze verzen het toch geheel en alleen op de maat aankwam, niet eens kenden? Zoo wij dat doen „laden" wij onze gedichten met dubbele kunstmiddelen en dat moet vermoeien. Tegen de logica van deze redeneering valt weinig in te brengen, de fout ligt in de praemissen. Voor Coornhert is alle maatbeperking een noodelooze dwang, dien hij op één lijn stelt met „sterck ghedicht", dubbelrijmen en andere subtiele rederijkerijen, die het den dichter maar lastig maken en die zich laten koesteren ten koste van den zin. Hij zelf verwerpt dan ook niet alleen de Brabantsche maat (10—12), maar houdt zich zelfs niet binnen de Hoüandsche (10—14), ja ook aan verzen van hetzelfde rijm geeft hij geen gelijke lengte, zooals Casteleyn toch althans in theorie voorschreef. Als hij De tweede XII Boecken Odysseae (eenige jaren daarna?2), uitgeeft, is hij nog van dezelfde meening, blijkens de Korte Voor-reden in prosa: „Noch volge ick Leser myn eerste voornemen... te weten, dat ic die Hemelsche Veerssen.... niet en wilde verlammen door stercke Rymen ende corte veerssen van thien ofte twaelff sillaben, soo hy selffs deurgaens die ghebruyct van sesthien of achtthien".... Ook later blijft hij bij zijn overtuiging, al heeft hij den spot der kamerbroeders te verduren, die zich intusschen met nog veel fijnere middelen, als „cesuren" en „wissel van voeten" hebben toegerust. Men vindt deze, sedert Kalff's Gesch. d. N. lett. i. d. XVIe eeuw (II blz. 299) vaak aangehaalde uitspraak in zijn merkwaardige dichters-behjdenis: „Coornherts Rymerien aenden Rymlievenden Leser", gedrukt voor zijn Comedie van Lief en Leedt (gedicht October 1567 „in den Haghe binnen de Ghevangenisse" en verschenen 1582; de Rymerien werden dus

*) De herkomst van deze uitdrukking kan ik niet aanwijzen; later gebruikt Is. Vossius voor „rijm" uitdrukkingen als similiter desinens, similiter finiens clausula (De poematum cantu p. 26, 33); vgl. ook het Grieksche ó/joioteksvrog.

!) Een oudere druk dan die te Amsterdam 1605 schijnt niet bekend.

Sluiten