Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

39

1576 reeds aan een „gezelschap", hij stond dus niet alleen; er was toen een kring van mannen „die hem inde nieuwe universiteyt der stad Leyden öuffenende zijn inde Latynsche of nederduytsche poëziën". „De verssen dan" (gebruikt in het vertaalwerk, dat hij hun met den brief aanbiedt) „zijn Alexandrins, zoe die bide Francoyzen werden genomt, ende bestaen van zes voeten of twaelf sillaben, hebbende haren val, rustinge, steunsel of ademvérhalinge naer de derde voet, twelc de zeste sillabe es, dewelcke ic onder den anderen of geschakeert hebbe met masculins opte laetste sillabe rymende ende mit feminins, rymende opte naestlaeste of voornaestlaeste... zulx ende inder vugen wij dezelve nu ter tyt gesamenthcken gebruycken, te weten op een zekere mate ende yegelycke sillabe op zijn juyste gewichte comende"1).

H. L. Spieghel. — Spieghel was het zeker volkomen met zijn vriend Van Hout eens en werkte zelf ook naar dit ideaal. Hij was daarin echter de eenige van het bekende Amsterdamsche driemanschap. Coornhert volgde hem zeer zeker niet, en Roemer Visscher evenmin, vóór wiens Brabbelingh in 1612 te lezen stond dat „de maet, ende Fransche snee... de syllaben, off die lanck of cort sijn, ende dierghehjcke neuswijsicheyt meer... niet oft weynich om 't lijff" hebben. In de verzen van den Hertspieghel vindt men een poging om de „alexandrins", volgens Van Hout's beschrijving, in alle opzichten na te volgen; deze wordt er zelfs nog bedektelijk even geëerd: „diens vrienden choor daar hout en wint 's dichts rechte mate" 2). Hetzelfde geldt van het „Kort Begrip desRedenkavélings", een berijmd uittreksel, om het „beter in de ghedachten te hechten" van het aan curatoren der Leidsche Hoogeschool opgedragen „Ruygh-bewerp vande Redenkaveling" (beide verschenen te Leiden bij Plantijn 1585 s). Men hoore den schrijver zelf in den „Toe-eyghen-brief" aan Van Hout voor het Kort Begrip (blz. 3): .... Wij hebben dit „ghepóóght in Rym te vervatten / ende dat met Regheldicht [verzen met eindrijm]» om ghedrongen rymwóórdë te mij en [dat zal Coornhert ook toegejuicht

*) De geheele brief uitg. door Prinsen, Tijdschr. v. N. T.e. L. 22, 219 vlgg.; de bewuste plaats daar blz. 224, ook in Prinsen's Handboek 230 vlg.

*) Hertspieghel IV, 114; vgl. Prinsen, De Nederl. Renaissance-Dichter Jan van Hout, blz. 142; Hout en Wint is Van Hout's zinspreuk.

8) Voor het Ruygh-bewerp staan 26 alexandrijnen „Tótten kunstgheleerden Lezer", waarin alleen de afwisseling van slepend en staand rijm niet is volgehouden.

Sluiten