Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

41

schen bij zelf dan toch wel en „daar zijnder óóck huydensdaaghs, dieër op begliinnen te achten". Hij verwacht er dan ook weiiets goeds van, als men ten minste zorgt rekening te houden met de eigenaardigheden van het Nederlandsen en zich niet te veel aan de leiding van het Latijn toevertrouwt. Hier zijn dus zeer bepaaldelijk het Fransche en het klassieke voorbeeld niet verwerkt en tot één Nederlandsen program gevormd, zooals men in Van Houts „gezelschap" mag veronderstellen. Wij zijn er onder rederijkers, die samen een Latijnsch schoolboek bestudeeren; zij vinden het wel heel mooi, maar je moet er toch voorzichtig mee zijn. De „Hebreen" komen er ook nog aan te pas, die in hun taal hetzelfde bezwaar zouden hebben als wij, namelijk een teveel aan lange lettergrepen; zij bezigen dan ook „maar twe voeten... de ene van een langhe silb, d'ander van twe silben1), d'een kort d'ander lang, zó datter wel veel langhe silben aen een vólghen, maar gheen twe korte an één" (blz. 57) 2).

Er wordt dus in theorie althans nog aan gedacht, mogelij k ook bij een ander dan het „klassieke" voorbeeld, voor onze taal geschikte normen te vinden. Maar nu in de praktijk; zoudt gij regels durven geven ? vraagt de „Roemer" der Twespraack. Och neen, antwoordt „Gideon", dat moet het gebruik der dichters ten slotte zelf doen, evenals bij de Grieken en Romeinen: „het is veel ghedaan als wy nu tusschen de x. en xiiij. silben onze reghels dwinghen, daar, na myn verstand, ghelyck luydende regels van ener langte behóren te zyn; altyd daart tgheklanck op de naastleste silb valt, een silb langher als daart op de leste valt, ende dat deze in Rym behóren buert om buert te komen: ghelyck wy zien dat de Fransóyzen doen, die in dezen ons verde verby zeylen; hoe wel onze taal veel gheschickter daar toe inder daad bevonden zal worden" (blz. 57, 58). Deze schijnbaar zoo kalme aanwijzing voor

') Hier heeft een „voet" bij Spieghel dan toch eens meer dan één lettergreep.

') Een dergelijke opmerking maakte reeds de geleerde Zwitser Conradus Gesnerus in zijn toen en nog lang daarna wijdberoemd boek Mithridates, de differentiis linguarum... etc. (Zürich 1555), dat Spieghel zeer wel gekend kan hebben. De „germanicus sermo" leent zich, volgens hem, uit zijn aard niet zeer tot klassieke dichtvormen „in quibus syllabarum quantitas observetur" (hij zelf gaf er de eerste schuchtere, vaak aangehaalde proeven van): „mihi quidem vocabulorum brevitas, pronunciationem exasperare videtur, cum frequentia intervalla & quasi hiatus relinquat, ideoque eo magis si consonantes terminentur: quod in sermone Germanico contingit utrunque. nam & monosyllabis dictionibus abundat, & ijs in consonantes exeuntibus. quare & prolatu asperior, & condendo carmini enepta est. nam & cassurae minus fieri possunt, & plerseque syllabae vel alias vel positione longa? fiunt" (p. 36).

Sluiten