Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

42 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

het gebruik is een verbijsterend amalgaam, en vooral zoo belangwekkend, omdat zij even verward is als de toestand toen inderdaad was. Duidelijk is, dat de schrijver voorshands liever afziet van een beslissing in de eigenlijk metrische kwestie van de verhouding der lettergrepen, al heeft hij dan ook (blz. 56) reeds aangeduid dat wij onzes ondanks „inde Liedekens" toch reeds daaraan gebonden zijn. Voor 't overige kan men voorloopig tevreden zijn met de „Hollandsche maat", 10—14 lettergr., als men tenminste daarbij zorg draagt, dat rijmende verzen gelijke lengte hebben en slepende rijmregels één silbe langer zijn dan staande, m. a. w. als men zich eigenlijk gehjktijdig aan de Fransche wetten houdt! Dan is echter de eerst gegeven vrijheid van 10—14 ook denkbeeldig. Het zou moeten luiden: ge moogt verzen maken van 10 en 11 (ofwel 12, namelijk dubbel-slepende, zooals men immers ook later vrij algemeen bleef goedkeuren) of verzen van 12 en 13 (of 14) syllaben, dus „vijf- of zesvoetige iamben", of met de Fransche benamingen „vers communs" of „alexandrins"; alleen van de caesuur wordt niet gesproken. Het feit dat het oude en het nieuwe hier zoo rustig in één zin naast elkaar staan, bewijst dat theorie en praktijk elkaar nog lang niet gevonden hadden; het schijnt er eigenlijk op neer te komen, dat het Fransche voorbeeld den schrijver bij dit alles voor den geest staat, en dat hij voor ons-beginnelingen alleen eenige afwijkingen toelaat, d.w.z. een enkel foutje reeds in de theorie voorziet1). Het „verby zeylen" van de Fransóyzen zal er dan ook wel voornamelijk in bestaan, dat zij het al zonder fouten kunnen. Dat de schrijver der Twe-spraack in het vervolg de nieuwe maat niet voor alle dichtvormen noodzakelijk acht en verder met genoegen allerlei oude rederijkerskunstjes ophaalt, doet hier niet ter zake; het bewijst alleen te sterker dat zijn nieuwe begrippen hem nog aherminst tot een al het bestaande verachtenden futurist gemaakt hebben. Zoo ziet men dus hoe Latijnsche theorie, met nog een aarzelend Hebreeuwsch bijstroompje, Romaansch voorbeeld en Hollandsche praktijk bij hem nog vrijwel vergeefs pogen tot één goed vaarwater samen te vloeien. Voor zich zelf houdt hij zich aan den zoeten dwang van de Liedekens, die ons

l) Dat zou dan dus zijn: staande verzen van 11 en 13, of slepende van 12 en 14, of wel dubbel-slepende van 13; dubbel-slepende van 15 zijn niet toegelaten daar zij de „Hollandsche maat" te buiten gaan. In de praktijk komt dit neer op alexandrijnen met één syllabe te kort of te veel, zooals men ze inderdaad ook vaak aantreft. Men zou dit een hervormde Hollandsche rederijkersmaat kunnen noemen.

Sluiten