Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

43

„dickwils onwetende" in 't rechte spoor houden. Van daar de anders eenigszins zonderlinge aanwijzing boven den Hert-spieghel „Liedsghewijse na de vois: Ik heb de tijd ghesien, waer is die nu gevaren"; ook wie steeds alle strophen van een psalm placht te zingen zou toch dit niet ücht hebben volgehouden.

Carel van Mander. — De rechtzinnige theorie spreekt weer duidelijk bij Carel van Mander, in de vermaarde Voor-reden bij „den grondt der edel vry Schilder-const", verschenen voor het SchilderBoeck in 1604, maar vermoedelijk reeds eerder opgesteld1). Hij geeft daar een uiteenzetting van zijn inzicht in de regels der dichtkunst, zooals hij die in de toekomst voor het Nederlandsen zou wenschen. „Ick bekenne wel / dat men Gallischer wyse / op Alexandrijnsche mate wel wat goets soude doen: Dan daer hoeft groot opmerek / en langhe tijdt toe / om vol schoon stoffe / en vloeyende te wesen: en bevinde oock seer goet / en wel luydende / datmen zijn tweede syllabe altyts hardt oft langh nemen / en d' eerste cort ghelyck sulckx in onse sprake eerst in het ghebruyck is ghecomen door den grooten Dichter d'Heer Jan van Hout, ... die uyt Petrarcha, Ronsard, en ander / sulex van in zyn jeught waer ghenomen / en ghevolgt heeft." Verder stelt hij aan de hand van eenige voorbeelden uiterst scherpe eischen voor de caesuur. Hij zelf paste het een en ander nog niet toe in Der Schilderkonsten Grondt, die uit strophen van acht elf-silbige verzen alle met slepend rijm maar van vrije rythrniek bestaat; en ook later, als hij dit wel doet (vgl. de voorbeelden bij Jacobsen passim), blijft hij toch de voorkeur geven aan de lichtere „vers communs", waarschijnlijk niet alleen omdat hem voor den alexandrijn al te groot „opmerek" noodig was, maar omdat de levendiger, minder gelijk afgedeelde rythrniek der „vijfvoeters" hem beter schikte. Om die minder stelselmatige volhouding van wat men juist in zijn tijd met de namen der klassieke voeten ging bestempelen, is Van Mander terecht geprezen. Niet zeer verhelderend echter is dat men na 1880 deze eenigszins vrijere, getelde maat nu juist veelal als „de iambe" betitelt. Intusschen is Van Mander zich deze verdienste zeker niet bewust geweest, hij meende zijn eerste en tweede syllabe wel degelijk om beurten „cort'' en „hardt oft langh" te nemen. Datzijneenvoudige, natuurlijke gedichten zich echter nooit

f) Jacobsen, Carel van Mander (blz. 72 noot) stelt de vervaardiging vóór 1597

Sluiten