Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44

.DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

gemakkelijk in den plechtstatigen orthodoxen alexandrijn hebben gekleed, is voorzeker geen toeval.

Mamix van St. Aldegonde. — Eenigszins anders staan de zaken weer bij Maxnix. In het toevallig bewaarde brokje theorie dat wij van hem kennen, een brief van 1589 aan een Delftsch predikant, die hem een gedicht over den ondergang der Armada had toegezonden1), blijkt hij vooral ook gevoelig op het punt der caesuur. Van Mander eischte dat geen woorden of begrippen, die in den zin bij elkaar behooren, gescheiden zouden worden. Marnix wijst hier in 't bijzonder ongewenschte caesuren aan na de copula ewiof nalidwoorden en voorzetsels „eaenim propemodum habeo pro eodem"; ook dat het adjectief van zijn substantief gescheiden wordt schijnt hij minder gelukkig te vinden. Zijn eigen verzen hebben in het algemeen regelmatige wisseling van sterke en zwakke lettergrepen; het is echter daarom niet noodig dat ook hij de klassieke voetentheorie op de Romaansche telverzen toepaste. Immers in zijn Psalmen-werkte hij naar de bestaande üedwijzen en had dus steeds den rylhmischen steun van de melodie. Nu is de maatgang | eener melodie in het algemeen zeker niet zoo dwingend als Spieghel misschien dacht, vooral niet bij een langzaam monophoon psalmgezang, maar als zeker mag gelden dat het oor der dichters zich in dezen tijd met behulp daarvan aan de regelmatige „voethouding" gewend heeft2). Hoe vele smettelooze vijfvoeters vindt

•) Uitgeg. door J. van der Valk, TijdscHr. v. N. T. e. L. 33, 149—152.

') Eenige „onuitgegeven" oudere berijmingsvormen van sommige Psalmen, bekend gemaakt door M. Rudelsbeim, Tijdschr. v. N. T. e. L. 17, 105 vlgg. toonen, hoe Marnix zelf zijn kunst in dit opzicht eerst geleidelijk heeft volmaakt. De beschouwingen door den uitgever hieraan vastgeknoopt (t. a. p. 136—145) lijken mij minder gelukkig. Hij schijnt eensdeels te meenen, dat de rederijkers opzettelijk woordaccent en versaccent deden verschillen, doch noemt dit dan tegelijkertijd een gebrek, een lichtzinnigheid en een bewijs van „de moeite die zij hadden om de Fransche zoowel als de classieke versmaat in onze taal toe te passen." Van dit streven naar de klassieke versmaat is bij onze 16e-eeuwsche rederijkers nog niet veel tè merken; wij zagen hoe langzaam zich de eisch van het bloote silbentellen naar Fransch voorbeeld bij hen ontwikkelde. Rudelsheim's stelling, dat men in het algemeen de „vrije" verzen als „slecht beklemtoonde" zou moeten beschouwen, houdt dus geen steek. Bij den gelijktijdigen Hoogduitschen Meistergesang, dien hij ter vergelijking aanhaalt, Was de verhouding geheel anders; daar waren de telverzen reeds veel eerder algemeen en was de wijze van voordragen tegelijkertijd blijkbaar uit zich zelf tamelijk sterk „alterneerend", waardoor dus inderdaad sprake kon zijn van een niet samenvallen van thesis en woordaccent (vgl.behalve dedoor R. aangehaalde plaatsen bij Borinski, ookSaran, Der Rhythmus d. franz. Verses, 155 vlg.). Het feit echter, dat men in Nederlandsche getelde verzen juist zoo vaak fouten tegen het vereischte aantal aantreft, bewijst m. i. dat hier het telvers niet door een onbewust „alterneerend" maatgevoel werd gesteund, maar dat

Sluiten