Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

45

men niet zelfs in Coornherts Liedboeck, gesteld op een van de vele psalmwijzen die deze maat meebrengen (b.v. slechts ps. 8, 74,129, 137.) En hoe vaak vindt men ook bij latere rederijkers niet psalm 89, met zijn verzen van 12 en 13 lettergrepen, om daarop alexandrijnen te passen, al dwingt de melodie weer niet afdoende tot caesuur. Zoo heeft ook Coornhert „iambische zesvoeters" (hoewel zonder regelmatige caesuur) gedicht op de wijze „Susanne ung iour", waarin slepende verzen van 11 en staande van Plettergrepen afwisselen *). Evenals Spieghel zijn „Ik heb de tijd gezien" boven den Hertspieghel, schreef Marnix onder de 248 verzen tellende opdracht aan de „verstroyde gemeynten" voor zijn Boeck der heylige schriftuerhjcke Lofsangen „Dese Voirrede mach gesongen worden op de wijse des xij. Psahns" (10,11 syllaben). Maar behalve de door Spieghel gebruikte, zijn er talrijke andere wereldschevoysen die den alexandrijn-vervaardiger hebben geschraagd. Hooft geeft er eens2) drie tegelijk op: „Vos Demons de la bas, etc. Esprits qui souspirez etc. O nuict jalouse nuict etc." (vooral het laatste komt tallooze malen voor, ook als: O nacht jaloerschenacht), een ander isb.v. nog „Fortuyn eylaes" enz.8). Intusschen heeft ook Marnix wel met de begrippen lang en kort gewerkt: „et scio etiam nostris usitatissimum esse et fere perpetuum ut liquidam cum muta brevient quoties ex casu nominativo barytono excrescit casus obliquus vyant vyands, hollandt, zeelandt, schotlandt, hóllanders... backtandt bactanden. contra in oxytonis handt verhet vaste getal in den aanvang geheel kunstmatig was; men voelde nog steeds de oude vrije accent-maat. Voor het Nederlandsen moet men in dezen tijd dan ook nog streng onderscheiden: de „vrijheid" van het vanouds ongetelde rederijkersspreekvers en de rythmische ongelijkheid tusschen een liedtekst en zijn melodie; om die laatste te vermijden leerde reeds De Casteleyn: men moet, als de eerste strophe gedicht is, eerst de melodie vast stellen en daarop dan den verderen tekst passen, want anders zullen zij niet „accorderen"; Rudelsheim verwart deze twee. Van fouten tegen den klemtoon kan in niet-gezongen verzen bij ons eerst sprake zijn, als in de 17e eeuw de gelijke lengte vast staat en de regelmatige beklemtoning algemeen gebruikelijk is geworden. De verzen van Hooft b.v. in den eersten vorm der Granida waren natuurlijk niet strikt in den ouden zin „vrij"; men zou ze ongetwijfeld „slecht beklemtoond" kunnen noemen, maar dan toch: bewust-,.slecht" namelijk niet om-en-om beklemtoond; de oorzaak van deze neiging tot het slechte bij Hooft was evenwel, dat de eigenlijke rythrniek der oude „vrije" verzen nog sterk in hem leefde en hem zelfs tot een theorie van ongelijke klassieke voeten bracht.

*) Ds. Arnoldus Cornelii, tot wien Marnix' brief gericht is, heeft vermoedelijk ook een dergelijke wijze gebruikt; uit de in den brief aangehaalde verzen blijkt dat hij naast elkaar regelmatige verzen van 10, 11, 12 en van 12, 13 silben stelde.

*) Ick loos de suchten enz. Gedichten, ed. Stoett I, 22. Vgl. de lijst van „Wijzen en Melodieën" ald. I 396 vlgg.

') Bredero's Werken, ed. Ten Brink e. a. III, 484.

Sluiten