Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

49

Maar op het gewicht van de lettergrepenJmhet algemeen komt het dan ook aan; geheel onbelangrijke syllaben moeten zoo min mogelijk voorkomen. De Fransche taal zelf komt hierin te gemoet, uitgebreide toonlooze uitgangen bezit zij niet. De behandeling der stomme-e „laqüelle se mange toutes les fois qu'elle est rencontrée d'une autre voyelle ou diphthongue" (Ronsard, Abrégé) vennindert dit aantal nog; sommigen tellen haar ook in andere gevallen niet mee. Van de alexandrijnen, wier lengte het rijm niet zoo duidelijk hoorbaar maakt, zegt Ronsard nog in het bijzonder „qu'ils... sentiroient la prose, s'ils n'estoient composez de mots eslues, graves, & resonnans" (Abrégé de 1'art poetique frangois, Des vers Alexandrins). „Graves & resonnans" duidt genoegzaam aan, hoewel misschien onbewust, dat de vereischte „composition grave, hautaine, (s'ü faut ainsi parler) altiloque" niet alleen op de poëtische beteekenis, maar evenzeer op den klank ziet. Dat was de Fransche verstheorie in de 16e eeuw, dat bleef zij feitelijk tot op den huidigen dag. In die richting zagen wij de Nederlandsche versopvatting zich ontwikkelen; zij kon daarbij echter niet blijven staan. De Nederlandsche taal bezit door haar Germaansche woordvorming en samenstelling geen dergelijke gehjkvloeiendheid, die men wat den klank betreft aan zich zelve over kan laten, al is men in zijn uitdrukking nog zoo „altiloque". Het resultaat moest een horten en stooten worden „niet ongehjck ... de raders van de karren die over een deel oneffene straetsteenen worden voortgeruct" (Cats, Aenspraecke tot den lezer ... voor zijn Proteus 1627). Men moest dus komen tot een nadere bepaling van den inwendigen rythmus van het vers of half-vers.

Zoo deed dan ook Van Hout en die hem volgden; bij hen treedt het verlangen naar alternatie op, vindt zijn formule in de onderscheiding der lettergrepen naar hun klankgehalte, volgens de klassieke metrische theorie, en wordt ook dadelijk in de praktijk tot tamelijke volmaaktheid gebracht. Merkwaardig is, dat ook de 16e-eeuwsche Nederlanders meenden dit te hebben waargenomen „uyt Petrarcha, Ronsard, en andere." *) Hooft zou iets later geheel andere waarnemingen doen bij de Romaansche dichters! Wat is nu echter in dezen tijd de werkelijke praktische beteekenis

*) V. d. Ebt legt den nadruk op het veel grooter belang van den Franschen dan van den klassieken invloed (N. Taalg. XIII, 37, 39); voor de verspraktijk is dit zeker waar, voor de theoretische versbeschouwing is het m. i. onjuist en deze heeft even zeker de praktijk mede beïnvloed.

4

Sluiten