Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

51

van den metrischen versbouw (2e Hopfdst. van diens Verhandeling over de toepassing van het Grieksch en Latijnsch metrum op de Nederlandsche Poëzij, bekroond door de K. Acad. v. België, Roeselare enz. 1886, blz. 75 vv.) en A. SchiUings Bijdrage tot de Geschiedenis van de rijmlooze poëzie in Nederland gedurende de 17e eeuw (Tijdschr. v. N. T. e. L. 38, 65 w.), van welken laatste het te betreuren is dat hij het eerstgenoemde werkje niet kende.

Jan van Hout. — De oudste, nog in de 16e eeuw, die zich op dit pad begaf, was wederom Van Hout met zijn „Onrymich vreuchden-liedt" ter eere van Maurits (1594), waarin hij zich dus wel aan het rijmloos waagde (wat De Casteleyn in zijn voorbeeldjes niet had gedaan) maar aan den [anderen kant toch weer niet veel van het gewone Nederlandsche rythme afweek, door alleen iamben te bezigen (op zich zelf natuurlijk een verdienste, waardoor het gedicht meer is dan een poëtasters-probeerseltje v). Wat echter de verhouding betreft tusschen het in enger zin „metrische" en de klemtonen, behoefden deze rijmlooze verzen geen'andere normen dan de gewone rijmende „iambische" schema's. Ditzelfde geldt ook geheel en al van Huygens' versi sciolti (blanc verses) naar Ariosto en van de iambische trimeters (of liever rijmlooze alexandrijnen) van Hooft en Brandt2).

Abr. van der Mijl. — Merkwaardiger is, dat Abraham van der Mijl, als hij klassieke oden nabootst (Lingua Belgica, 1612, blz. 165 vv.) ook de Sapphische strophe tot een doorloopend „iambisch" geheel omwerkt (3x11+5 silben), en dan „iambisch" volgens de accenten. Hij zelf immers is het juist, bij wien de accenteisch van het Nederlandsche vers voor het eerst uitdrukkehjk wordt gesteld (vgl. beneden, blz. 117). Zoo maakt hij den Sapphicus tot een vijfvoetig, den Adonius tot een tweevoetig slepend vers: „genus carminis effinxi ad Sapphicum" —en het verrassend resultaat is, dat men het zingen kan op de wijs van ons Gez. 118 (of „Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen")! Van der Mijl hield zich alleen aan het aantal der lettergrepen en bouwde het

*) Vgl. Schillings t. a. p. 67 v. en Prinsen, J. v. Hout 119 v.

*) Huygens ed. Worp I, 285; Hooft ed. Stoett I, 293, Huwelijkshaeter; Olyfkrans der Vreede enz. 1648 blz. 53 en G. Brandt de Jonge Gedichten 1649 blz. 1 — 50, Op het sluiten der eeuwige vrede, alsook blz. 167 — 173, De traanen van den Apostel Peter; vgl. Schillings t. a. p. 71—76.

Sluiten