Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

55

Toont dan uw' moed elk in al uw' benouwen, Maer by aldien glukzaligheed u zeilen Al te wyd uitspand', let' er op deselve Strak te beremmen.

of den volgenden aanhef van Horatius' Exegi monumentum:

'K hebb' een werk nu voleindt, duiriger als metal, Als d' hoog-spitsige toorns hoger en heerliker, 'Twelk geen wolke-nat, of bystere noorde-wind Kan verpletteren, of 't lopende jaer-getal Noch die vluchtige tyd weet te veranderen.

Beide voorbeelden zijn genomen uit Goddaeus' uitvoerige en merkwaardige Voorrede, waarin hij een uiteenzetting en verdediging van zijn rijmlooze metrische pogingen geeft. Na de genoemde plaats uit Huygens' Otia te hebben aangehaald, merkt hij op dat deze dichter, wiens voorbeeld hem blijkbaar navolgenswaardig lijkt, „voorbygaende de langheed en kortheed der sylben voornamelik twe dingen vereischt. Voor eerst, dat den toon van elk woord op syn besondre sylben in dese verssen behoort te

vallen, gelijk dezelve doorgaens word uitgesproken Aldus

gesteld zynde, koomt de toon met d'uitspraak over een: 't welk wy over al in dit onse werk ook meest gevolgt hebben. Ten tweden, darmen ook van de Gedichten, op dese nieuwe manier gesmeedt, gesangen mochte maken, datse al soo wel op voisen gesongen worden,alsmense in de ongebonde reden verstaen kan: Waernaa wy ons ook geregelt hebben als genoegsaem blykt in de overgesette Psalmen Davids, ende andere gedichten, daer wy de sang-voisen hebben boven gestelt". Als men nu het eerste gedeelte der gedichten, het „Toneel der Oude Wereld" opslaat, dat uit 177 korte stukjes op bijbelsche personén in allerlei klassieke maten bestaat, — men zou ze het best als epigrammen kunnen betitelen — en de praktijk aan de bewering der Voorrede toetst, dan zal blijken dat Goddaeus er nog aUerminst in geslaagd is, steeds den „toon met d'uitspraak over een" te brengen. Vooral de positione-lange lettergrepen zijn weer telkens stuitend. Maar het is in het algemeen moeilijk zijn techniek juist te beoordeelen, daar de heele abrupte en wonderlijke behandeling van de stof het nagenoeg onmogelijk maakt, ooit geheel in de rythmische beweging te komen. Opmerkelijk is zeker, dat de grootereen meer lyrische vertalingen in de Voorrede verreweg het best geslaagd moeten hee-

Sluiten