Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

58 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

kort ende klaer konde uyt-drukken, als ander zijn-tijds dichters met hunne wyze van dichten deden." (Toe-eygen-Brief blz. 3—4 voor Tristium ofte De Truerdichten van Publ. Ovidius Nazo... vertaeld duer M. Theod. SchreveHum... in Nederlandsch Dicht gesteld duer Iacob vander Schuere... Haerlem 1612) x).

Chr. v. Heule. — In het vervolg worden nu de Nederlandsche spraakkunsten een nieuwe bron van beschouwingen over woordklemtoon en lengte of kortheid der lettergrepen. Chr. van Heüle (De Nederduytsche Grammatica ofte Spraec-konst... Leyden 1626, blz. 72 vlg.) geeft reeds merkwaardige regels voor de uitspraak of „klank der Süben": ... „als tot Voorbeelt / van het woort Tafel, elke sübe verscheyden [d. w. z. afzonderlijk] gesprooken zijnde / zo en isser geen klank [d. w. z. klemtoon] waer te nemen / maer als men in Tafel de sübe fel, hart uyt spreekt / zo

heeft het woort eenen quaeden klank" Zijn eerste regel dan

luidt: „In aüe Eensübige woorden / en valt in het uytspreeken ofte ldinken / geen verscheydenheyt / ende ...worden in den Rijm / voor lange ofte voor korte süben genoomen"; zij zijn dus indifferent. Wat de grammatikus onderscheidt als bijzonderheid van „klank" of klemtoon „neemt" de dichter voor quantiteit; hier schijnt dus lang en kort zuiver als poëtische term gesteld te worden voor wat feitelijk de „klank der uitspraak" is, hoewel Van Heule zelf die termen dan verder ook bezigt2). Voor meerlettergrepige woorden geldt de regel, dat zij steeds een lange lettergreep moeten hebben, en dat nooit twee lange op elkaar kunnen volgen. Aardig is vooral zijn 2e regel: „In alle woorden die drie ofte meer süben hebben / en behouft men aüeenlic maer op de twee laetste süben / in het uytspreeken acht te nemen", al het voorafgaande is dus indifferent — of regelt zich van zelf volgens alterneerend beginsel, zooals Verwer later erkende (vgl. blz. 64). Trouwens Van Heule duidt dit ook reeds aan in den „2den verbeterden druk" van zijn boekje (Leyden 1633): „Boven is gestelt datter in een woort geen

>) Deze en nog enkele der blz. 24 noot vermelde plaatsen niet genoemd bij A. Vermeylen, Leven en Werken van Jonker Jan v. d. Noot.

«) In de tweede, tamelijk gewijzigde, uitgave (Leyden 1633) drukt bij zich ook veel minder helder uit: „In alle een-silbige woorden / en valt in het uyspreken / geen maet des klancx (of maet der Silben) waer te nemen) dewijle by ons alle een-silbige woorden/ dan voor kort / ende dan weder voor lang in den rijm genomen worden", en bij het opschrift „Van den klank der Silben" staat nu het Latijnsche in-margine: „Desyllabarum quantitate" (blz. 137).

Sluiten