Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

59

twee lange silben en konnen volgen / doch wel twee korte / want het dik-wils gebeurt / dat de twee laetste silben kort zijn [b.v. in goedicheyt, lijdinge, lopende] ... doch het gebeurt zeer zelden / dat twee korte silben malkander in het midden eenes woorts volgen / zoo datmen in Veel-silbige woorden / gemeynelic de mate der drie laetste silben / op het zekerste onderscheyt / ende de vorige silben / by beurten d'een voor kort en d'ander voorlang op-neemt" (blz. 140).

Maar Van Heule gaat nog meer in het bijzonder op den versbouw in. Zeer merkwaardig is zijn opmerking (1626), dat de gebruikelijke alterneerende versmaten niet uitsluitend uit iamben bestaan, maar dat daarin met name ook spondeeën plegen voor te komen: „De Rijm wort met voeten gedicht. De voeten daer hier af gesproken wort / zijn twee silben / .... Daer is een Voet van

twee lange silben / ... (Spondeus) , ende daer is ook een Voet

van eene korte ende eene lange silbe /... (Ianibus) ^ — Daer is noch een Voet die men Drieling zoude mogen noemen / ende deze is van eene lange silbe / met twee korte /... (Dactylus) _ ^ ^ ... deze Voet wort in Liedekens wel ghebruykt / maer in geen gemeynen Rijm. Men zoude hier noch veel verscheyde Voeten konnen stellen / den Latijnen volgende / maer omdat wij die andere weynig ofte niet en gebruyken / zo is dat naergelaeten" (le dr. blz. 77 vlg.). De wisseling van iamben en spondeeën is vrij: „De gemeynste Rijm / wort nu van zes Voeten gemaekt / ... ende men neemt over al zulke Voeten als men begeert / maer het moeten altijt Voeten zijn / gelijck een der twee boven verhaelde / de Figuur is dusdanig.

Men ziet, | ook niet | alleen | dat al- | der han- | de zae | ken, Ge ne | gen zijn | om haer | by zon- | der eynt | te rae | ken. *)

Alle silben mogen in den Rijm wel lang zijn / behalven de laetste in den vloeyenden Dicht [= slepend rijm]"; verboden zijn alleen voeten van twee korte of van een lange en een korte daarna (blz. 78); of anders gezegd (blz. 79): „In den gemeynen Rijm / moet de Tweede / Vierde / Zeste / Achtste / Tiende ende de Twaelfste sübe lang zijn / maer de Eerste / Derde (enz.) mogen lang ofte kort zijn/

') Men ziet dat hij hier alle monosyllaba lang neemt; maar er kunnen drukfouten in geslopen zijn.

Sluiten