Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

60

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND;

na gelegentheyt." *) Deze leer, die blijkbaar tegemoet wil komen aan een vermeend teveel van lange lettergrepen in onze taal, is zeer opmerkelijk in een tijd, toen men overigens nog geenszins afweek van de theorie der regelmatig afwisselende in hoofdzaak „iambische" voetmaat, maar integendeel nog arbeidde om die overal erkend te krijgen (vgl. de polemiek van Huygens en Hooft beneden, blz. 120). De overvloed van „lange" lettergrepen in onze taal werd reeds in de Twe-spraack opgemerkt (vgl. boven, blz. 41) en ook A. van Gherwen had daarop in 1622 de aandacht gevestigd; beiden beschouwden {dit echter als een ongemak. Van Gherwen gaat dan ook niet verder dan desnoods „twé harde" na elkaar toe te laten „maar beter waart na bleven" (vgl. beneden, blz. 122). Van Heule's voorbeeld heeft wel acht langen achtereen.

Van Heule schijnt op het buitensporige van zijn theorie gewezen te zijn en zag in 1633 dan ook van deze ketterij af; in den 2en druk is dé geheele passage omgewerkt. Zij begint daar (blz. 140) met de volgende verbijsterende mededeeling, die echter beter past bij de toen gangbare opvatting: „Deze scheydinge [= verdeeling, onderscheiding] der silben / is in de Francoysche sprake gebruykelic a) / ende kan ook in alle talen plaets hebben / maer de minste bequaemheyt dezes dichts is in het Latijn / om datter geen woorden en zijn / die lange silben op het eynde hebben"! Hij geeft nu als „eerste voet" den kort-langen, die „groote vergehjkinge met het Iambus der Latijnen" heeft, voorts alleen den Trochaeus en den Dactylus, en laat boetvaardig volgen (blz. 141): „Wy en hebben geen Spondeus, nochte Pijrrhichius, volgens onze derde en

l) Hierna volgt nog een merkwaardige passage „Van de Gezangen, (blz. 79 vlg.). Het gebrec dat in den Gezang dicht valt en is niet groot / om dat de Rijmers gemeynelic / zulke Liedekens dichten / daer zy de wijzen van konnen / want de wijzen der Liedekens / zijn een Regel om nae te Rijmen / maer overmits in zulken gebruyk wel eenige gebreeken konnen doorslibberen / zo zullen wy hier eenige dingen tot een wit aenteykenen".... „Als de Nooten rijzen / zo behooren onder de rijzende Nooten lange silben te komen / doch als het al lichte Nooten zijn / als vier ofte Achtendeel van maeten / zo en zullen de korte silben niet zeer uytsteeken / behalven de hoogste noot." Men moet dus in het algemeen de melodische verheffing volgen, doch bij snel beweeglijk passagewerk behoeft alleen de melodische top een zwaarder woordklank. Verder moet men opletten of „opeenes Regels eynde" een witte of een zwarte noot staat; in het eerste geval is staand rijm vereischt; indien het tweede zich voordoet bij twee op elkaar rijmende regels slepend rijm; anders mag een zwarte slotnoot ook een lange syllabe hebben; eindigt een regel met „twee swarte Nooten... daer van de laetste Noot leeger [= lager] is als zijne voorgaende / zo mag onder de laetste Noot eene korte silbe komen". Een tweede poging tot theorie over dit punt is mij niet bekend.

*) Daar hadden Van Hout en Hooft immers ook „lang" en „kort" leeren onderscheiden !

Sluiten