Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

62

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

dat men goed doet de a, e en o, in die gevallen (open lettergr.) niet te verdubbelen, wat Moonen er toch mee wil aantoonen, is misschien niet aanstonds duidehjk. De verklaring, en dat is hier van belang, ligt in het al te nauwe verband dat men onderstelde tusschen de lange klinker of „de langkheit des klanks der lettergreepe" en den „klank" (klemtoon) die op de lettergreep valt. Het betoog luidt aldus: men hoeft niet elke „lange" klinker door verdubbeling aan te geven, omdat daardoor toch niet in alle gevallen de juiste klemtoon van het woord blijkt, b.v. Afgaan, waar het 2e üd een aa en toch geen klemtoon heeft, het le daarentegen den klemtoon en een a die niet voor verdubbeling in aanmerking komt. Is die lettergreep df- dan „kort"? Neen! Maar omdat de spelling nu eenmaal niet afdoende is om aan te duiden op welke lettergreep „de klank in het uitspreeken valle, zoude men ten dienste der vreemdelingen, om hen in de Prosodia of Uitspraeke ...te onderwyzen, vooraf deezeregelsaengaendedekortheiten langkheit der lettergreepen kunnen stellen" (kap. V, blz. 24 vlg.). Volgen de niet onverdienstelijke regels, die behalve den vreemdelingen ook menig dichter tot steun geweest zijn, waarvan wij hier als voorbeeld de VHe aanhalen: „De Scheidbare Voorzetsels Aen, by, door, na, om, op, toe, uit, en af... zijn ten allen tyde lang, en eischen daerom den klank in woorden van twee of drie lettergreepen... als in Aenneemen, aenslag... uitdroogen, afgront, afbranden." De betrekking tusschen lengte en klemtoon is wederom geheel confuus; men rekent een lettergreep lang omdat zij den woordklemtoon draagt en noemt dat dan, dat zij den klank heef t omdat zij lang is. Intusschen Moonen schreef geen versleer, en meende dan ook slechts „eenige zetregels wegens de kortheit en langkheit der lettergreepen en haere rechte uitspraek gegeeven [te] hebben, die buiten de Nederduitsche Rym- of dichtkunst, waer van hier niet gehandelt wordt, kunnen geacht genoegzaem te zijn" (aanvang VI kap. blz. 30).

Joh. Hilarides. — Een andere merkwaardige betrekking is die

Abr. de Wees 1654, uitg. v. Lennep-Unger dl. 1654-55, blz. 117); het betoog is door Moonen overigens juist weer gegeven. Vondel maakte dus nog niet het onderscheid tusschen de „langkheit van den klanck der syllabe", zooals hij zelf het daar ook reeds noemt, en den klank = klemtoon in den zin van Moonen; voor hem was nog de lengte het eenige begrip waarmee hij werkte, wat hij zich daarbij dan ook moge hebben voorgesteld.

Sluiten