Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

64

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

het begrip „syllaba anceps". In zooverre zocht hij zijn maatstaf dus meer bij de klassieke natura-lengte dan gene deed. Daartegenover is zijn voornaamste, hoewel niet geheel nieuwe (vgl. blz. 59) vondst: de neiging onzer taal om in meerlettergrepige woorden beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen te laten afwisselen: (Regula III) ... „ultimam semper brevem; penultimam semper longam; antepenultimam iterum brevem; plusquam antepenultimam iterum longam: & sic porrö alternatim; ut leer en j verkeer en / overgieten / etc. Neque umquam fallit haec regula." En aan dezen hoofdregel, die dus juist geheel vrij van den lettergreepsklinker den woordklémtoon uit den woordbouw afleidt, geeft hij dan weer overheerschend gezag, door te verklaren: „vocaüumque longitudo aut brevitas (juxta reg. III.) semper regitur ab ordine syllabse ad quam pertinent, inde apud nos supervacaneum notas vocibus affigere, quibus vocaUum longitudinem aut brevitatem designemus" (p. 71). Maar duurde zoo'n lange nu ook twee maal den tijd van een korte? Verwer zegt het niet uitdrukkelijk; toch heeft hij vermoedelijkdeze beteekenis van de oude termen als bekend verondersteld; immers hij verklaarde dat de syllabarum quantitas -pendel e pronunciationis accentu, niet dat de accentus bij ons in de plaats der quantitates treden. Dit is van belang, vooral in verband met hetgeen hij in Cap. XX, De Belgicae Poëseos legibus, laat volgen: „Rhythmus in syllabarum numero est positus; Metrum in quantitate. Metrum majoribus nostris certè ad annum usque 1625, incultius fuit habitum; hodiè sanè nobis summum constituit artificium" (p. 74). In zake rhythmus onderscheidt hij één- tot zesvoetige verzen „neque ulterius apüd nos itur" en spreekt over staand en slepend verseinde. Aangaande het metrum, inzonderheid den bouw der voeten, brengt hij iets nieuws in het geding: „Quoad Metrum, usitamus dissyllabos pedes tres; pyrrichium, spondeum, jambum: item iri versus pentapodis aut tetrapodis protracti fine quandoque trisyllabum, nempe dactylum" (p. 76). De bruikbaarheid van trochaeën, die toch in liederen niet zeldzaam zijn, en van dactylen of anapaesten, de latere zoogen. trippelmaten, ontkent hij: „Genera Carminum totidem nobis usitantur, quot versuum species antè enumeravimus [dus de*hemi- tot hexapodes, bestaande uit de aangewezen dissylabi]; neque plura aut aha: contra ac quibusdam tentatum, qui & Latinorum ac Graecorum singulares species inducere moliti

Sluiten