Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER. 65

sunt; velut Sappbica, Anacreontica &c. sed pari modo ut apud Gallos, caruit successu iste conatus" (p. 79). De eenige trisyllabus, dien hij erkende, ontstaat dus aan het eind van een „versus protractus", d. i. een vers met slepend rijm (waarom hij hierbij alleen 5- en 4-voeters noemt is niet duidelijk); men kan dien voet dus als een amphibrachys aan het vers-eind aanduiden. Verwer schijnt nu, en dit is het merkwaardige, ook met zijn spondeeën en pyrrhichiën alleen op die verssoorten te doelen, die men in het algemeen iambisch noemt. Dit blijkt nog mtdrukkehjker in het volgende voorschrift: „Itidem cavendum, ne toti versus in Carmine incedant per solos pedes jambos, vel solos spondeos, vel solos pyrrichios; sed sint pedes ii eleganter inter se permisti: cui permissioni & suae tribui possent Regula:; sed nolo his immorari" (p. 80). Het is jammer dat hij hierbij niet langer wil stilstaan; wij leeren althans (en dit is heel iets anders dan Van Heule's theorie, die spondeeën toestondomdat wij nu eenmaal zooveel lange lettergrepen hebben) dat in den alexandrijn en dergehjke „iambische" verzen een elegante vermenging van iamben (_ _) met spondeeën ( ) en pyrrhichiën (w w) gewenscht is. Deze opmerking zou later nog aanleiding geven tot vruchtbare beschouwingen. Wij zullen haar terugvinden bij Van Alphen en Bilderdijk; ook Huydecoper's tonentheorie gaat in den grond uit van een dergehjke opmerking, maar begrepen in het verband van zijn accentueerende opvatting.

W. Séwel. — Zeker niet minder vermaard was in haar tijd de Nederduytsche Spraakkonst van W. Séwel (Amsterdam 1708), die in een afzonderlijk hoofdstuk „Van de Maatklank" handelt (blz. 209 vlgg.). Ook hier worden de begrippen lang en kort gebruikt zonder nadere uiteenzetting en worden eenige regels voor de indeeling der lettergrepen gegeven, die men in hoofdzaak als een nieuwe proeve van klemtoonregels kan aanmerken. „De Maatklank is dat gedeelte der Spraakkonst, het welk aanwyst óf de lettergreepen lang óf kort zyn, waarop in 't maaken van Vaerzen nauwkeurig moet gelet worden." De regels luiden: „Woorden van ééne lettergreep uyt eene tweeklankbestaande, zyn doorgaans lang... [volgen voorbeelden en uitzonderingen]. De meeste woorden van twee lettergreepen zyn lang in de eerste sillabe

Woorden van drie óf meer lettergreepen konnen niet wel onder

Sluiten