Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

71

De „nachtwakerskleptoon."

In de tweede helft der 18e eeuw valt een verandering in de opvatting der genootschapsdichters op te merken, en wel in de richting van strenger regelmaat. Als prof. De Vooys nu,in zijn bekende opstellen (Taal en Letteren XV, XVI) den berechten „taaldespoot uit de pruikentijd" aansprakelijk stelt voor de eigenlijke „doctrinaire" 18e-eeuwsche versleer, doet hij Huydecoper's eer eenigszins te kort. Eerst toen deze een oud man was, bereikte die gezelschapskunst het hoogtepunt van haar doode rechtzinnigheid, en zeker niet door zijn invloed. Naast of tegenover de afwisselende cadens der melodische tonen, waarop bij Huydecoper de nadruk valt en die hij naar zijn aard onder regels trachtte te brengen (vgl. beneden 2e hoofdst.), kwam juist nu de metrische theorie weer op met den eisch eener strenge toepassing van beurtelings lang en kort. Zoo verbet men wat Vondel bereikt had, om terug te keeren tot hetgeen Daniël Heinsius, Cats en Huygens nastreefden. Bilderdijk vertelt, hoe hij het in zijn jeugd beleefde, dat de hatelijke „nachtwakerskleptoon" tot wet verheven werd (vgl. blz. 103); en volgens hem vond deze zijn weg, vanuit den Rotterdamschen» kring der volgelingen van Dirk Smits (t 1752) naar de Haagsche en Leidsche genootschappen, waarbij vooral het gezag van Gottsched gewicht in de schaal legde. Voor Bilderdijk schuilt dan ook in dezen Hoogduitschen voorganger de bron van alle kwaad (in zijn beneden aangehaalde opstellen passim) en ook Kinker ziet in diens theorie het ware verderf van den alexandrijn (Gedichten I, 1819, Voorrede blz. XXVI; Gedichten III, 1821, Voorrede blz. XLII... „dit traralderaldera, traralder alderiere".. .).

J. C. Gottsched : A. Frese. — Van deze verfoeilijke theorie bestaat nu inderdaad een Nederlandsche bewerking: Korte Afschetsing der Toonmeeting of Maetklank van Lettergreepen in de Nederduitsche Vaersen. 's Gravenhage, voor het genootschap Ars Superat Fortunam (1773 of '74?!); het voorbericht is geteekend met de letters A. S. F., in den 2en druk (1775) echter met den

») Het in den catalogus der Mij. v. Ned. Lett. genoemde jaa il765(?) is te vroeg gesteld; op blz. 84 van het boekje wordt reeds melding gemaakt van v. Alphen en v d Kasteele's Stichtelijke Mengelpoézy (1772).

Sluiten