Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

72

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

naam A. Frese. De Afschetsing is een, van alle geleerde uiteenzettingen ontdaan, uittreksel uit het 4e gedeelte „Die Tonmessung" van Joh. Christ. Gottsched's Deutsche Sprachkunst, Leipzig 1748. Het eerste hoofdstuk „Historie und Vertheidigung des Sylbenrnaasses überhaupt, und des deutschen insonderheit" het Frese terzijde. Hij achtte dit vermoedelijk overbodig voor de Nederlandsche dichtgenooten en ging dadelijk over tot de regels, die hij in vier af deelingen brengt: I De Lengte en Korte der Nederduitsche Lettergreepen, II De Verscheide Voeten der Nederduitsche Vaersen, III Het Rym in de Nederduitsche Dichtkunst en IV De meest gebruikelijke Vaersen in dezelve. „Oude Zangmeesters" hebben evenals de Franschen gemeend, dat men genoeg deed als men zich in verzen aan een zeker aantal lettergrepen bond. „Doch alreeds voor eenige Eeuwen, hebben onze vroegste Dichters bemerkt, dat de eene Lettergreep Langer of Korter is als de andere; en dat uit deze regelmaetige Verandering van Lange en Korte Lettergreepen, eene aengenaeme WeUuidendheid ontstaet." Een lettergreep heet dan lang „wanneer het geluid, in de Uitspraek van die Lettergreep, langer daer op rust, als op de naeststaende", die andere heet daarom kort (blz. 4, 5). Hierover wordt verder niet uitgeweid; de „toon" wordt vereenzelvigd met een „langer rusten", en daarmee is de circulus vitiosus wederom gesloten. Op dezen grondslag voorziet Frese nu de syllaben van ontelbare woorden met de teekens — en ^ en benoemt al die Nederlandsche woorden zorgvuldig met de klassieke namen der voeten; ten slotte geeft hij voorbeelden van de voeging dezer voeten tot verzen. Het geheel is alzoo een eerste voüedige samenvatting van die meest elementaire theorie, zooals zij nog langen tijd dienst zou doen. Séwel mag er nog bijna kritisch bij heeten. De bepaling der quantiteit gaat vergehjkenderwijs, volgens den meer of minder krachtigen klemtoon. „Man nennet eine Sylbe lang, wenn der Ton in der Ausprache, in Vergleichung mit den benachbarten Sylben, etwas langer darauf ruhet", schreef Gottsched, en het overnemen van deze „vergehjking" is het eenige lichtpunt in de Afschetsing. Zoo kon Frese van sommige „twyffelachtige" voorzetsels, die in vele gevaUen lang zijn, opmerken dat ze „ook zomtyds als Kort kunnen gebruikt worden" en wel „wanneer ze tusschen Langer Lettergreepen staen" (blz. 11). Overigens is de indeeling nog zeer ondoordacht en komen er sterke tegen-

Sluiten