Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER-

79

monosyllaba met doffe klinkers, als die gevolgd worden door een liquida, wrijf-, blaas- of sis-klank, of door een muta plus eenigen anderen medeklinker; voor polysyllaba geeft hij nog eenige nadere regels. Kort zijn zekere voorvoegsels en uitgangen en enkele toonlooze monosyllaba; „middelbaar" de lettergrepen met doffen klinker gevolgd door enkele muta (ook als deze in buiging of afleiding verdubbeld wordt) en eenige niet geheel toonlooze woordafleidende uitgangen (blz. 2—11). De eigenlijke voetmaat nu richt zich naar het lang en kort der lettergrepen, waarbij de lange in den voet den klemtoon pleegt te dragen; er zijn twee „tweelingsvoeten" (iambus en trochaeus) en drie „drielings voeten" (dactylus, amphibrachys, anapaestus, blz. 20—22). Voeten waarin meer dan één lange voorkomt kent het Nederlandsen dus niet1). Meerdere voeten vormen een vers. Het betrekkelijk verschil tusschen de lange of beklemtoonde lettergrepen van een vers onderling vindt zijn verklaring in het verschil van toonhoogte, waarvoor hij 12 trappen aanneemt (blz. 73). Volgens de gebruikelijke versbouwregels mag men slechts „gehjkaardige" voeten samenvoegen; „toonverwisselingen", b.v. het beginnen van een alexandrijn met een trochaeus, wat slechts de eentonigheid kan verbreken, pleegt men als fouten aan te merken (blz. 55); wel hebben „onze puikpoëten" zich vaak de vrijheid veroorloofd „van korte voor lange te plaatzen", terwijl men zelden vindt dat zij lange voor korte lettergrepen stellen. „Deze vrijheid schijnt geboren uit de menigte der korte lettergreepen, in vergelijking der mindere lange, waarmede onze spraak, kortheidshalve, bedeeld is; en toont tevens niet onduidelijk aan, dat onze gewoonlijke vaersmaaten, niet naar den aart onzer taele ingerigt zijn" (blz. 53—54).

In deze opmerking ligt het punt van uitgang voor Schrége's Taaleige Vaersmaat. Spieghel en Van Gherwen, ja reeds Gesner in zijn Mithridates, hadden gezucht onder het teveel van lange of harde lettergrepen in de nieuwe „duitsche" talen. Schrage kwam, op grond van zijn waarnemingen bij Nederlandsche verzen en aan de hand van zijn fijnere, klankwaarde en toonsterkte onderscheidende indeelingen, tot de som, dat juist het tegendeel ons ware kruis is. „In eene doorgaande maatelooze rede vind ik onder dui-

') In samenstellingen waarin anderen het samenvallen van twee langen zouden erkennen als: aanslagen, doorbrengen, neemt hij alleen de tweede lettergreep lang, terwijl het voorafgaand voorzetsel den „toonval" heeft (blz. 5).

Sluiten