Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

80

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

zend lettergreepen ten minsten zes honderd korte, en vier honderd lange en middelbaare greepen; dat is de helfte meer korte dan lange." Hieruit moet volgen dat verzen, wier schema niet een dergehjke verhouding eischt of toestaat „in zoo verre van ons taaleigen afwijken, en onzen spraaktrant geweld aandoen"; dit heeft zich dan ook gewroken door onze dichters te nopen korte lettergrepen voor lange te stellen. „Volgens deezen taalregel behoorde een vaers van zes lange greepen, of zo veel voeten, ten minsten negen korte greepen te hebben; en dus uit vijftien lange en korte lettergreepen te bestaan." Dat wil zeggen: in een alexandrijn zouden drie van de zes voeten drie lettergrepen moeten of mogen bevatten; de afwisseling van staand en slepend rijm kan daarbij behouden bhjven. Nu staan er drie drielingsvoeten ter keuze: dactylus, anapaest en amphibrachys; de eerste behoort tot de klasse der „voorlangen" en is geschikt tot wisseling met den iambus, de tweede is „achterlang" en sluit zich aan bij den trochaeus, de derde als „middeUange" kan in beide gevallen dienst doen. Hierna laat Schrage schema's en voorbeelden volgen van het meest gewenschte gebruik zijner nieuwe versvormen (blz. 57—64). „Zoo worden dan onze vaerzen de Hexameters der Grieken en Romeinen gelijk ? Geenzins"; al dadehjk niet omdat bij hen spondaeën met dactylen wisselden. — Toch valt niet te ontkennen, dat deze al te kunstig gebouwde nieuwe verzen in hun gang wel veel overeenkomst hebben met de klassieke hexameters, zooals wij die plegen te lezen. In de praktijk zal Schrage wel niet heel veel volgelingen gevonden hebben; van verzen die naar zijn regels gebouwd zijn is mij althans niets bekend *).

l) Ik kan niet nalaten hier nog het volgende uit dit boekje aan te halen, waarin een merkwaardig juiste voorstelling van de wording onzer versmaat tot uiting komt: „Oulings waren onze voorvaders, enkel op het Rijm, eene vinding der middeleeuwen, verslingerd; zij maekten vaerzen, zonder klankmaat, zonder toonval, zonder bepaald getal van lettergreepen: het moest rijmen, en dat was genoeg. Vervolgens telde men de greepen: daarna plaatste men ook de stemrust, en men maekte vaerzen gelijk de Franschen; dat is zonder bepaalde maat of toon. Wijders bekoord door de klankmaat der oude Grieksche en Latijnsche vaerzen, bragten zij dezelve in onze moederspraake over: ziedaar onze vaerzen, en aan eene bepaalde klankmaat, en aan de sternrust, en aan het Rijm verbonden; men werdt êéntoonig; men bediende zich van harde spraakkonstige vrijheden; men bezigde stopwoorden; dat is, men maakte vaerzen als Cats" (blz. 55 vlg.) Ook wat daar verder volgt en de beschouwingen op blz. 65 — 69 over allerlei uitheemsche talen en dichtvormen zijn lezenswaard. Schrage schijnt een man van ontdekkingen, een geest met een geniaal vleugje geweest te zijn. Als geneesheer hield hij er een eigen methode voor het weder opwekken der ademhaling op na, bestaande in een „handgreep", zoo krachtdadig en afdoende, dat de Maatschappij tot redding van Drenkelingen.... haar weigerde aan te bevelen; hierover ontspon zich een niet onvermakelijke polemiek, waarop wij hier echter niet kunnen ingaan.

Sluiten