Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

81

H. van Alphen. — Schrage's merkwaardig boekje kende Van Alphen, toen hij zijn Digtkundige Verhandelingen (Utrecht 1782) uitgaf, en het heeft hem bhjkbaar stof tot nadenken gegeven. In de Inleidende Verhandeling w/jcït hij tamelijk breedvoerig uit over den versbouw (blz. LXXXII—CXV), zonder echter dit onderwerp scherp systematisch aan te vatten en ook zonder het tot groote helderheid te brengen. In de terminologie van zijn aesthetische beschouwing noemt hij de schoonheid der versbeweging als geheel melodie, zonder echter een aanhanger te zijn van de in hoofdzaak naar het melische element ziende tonentheorie. In tegendeel verklaart hij het boven alle bedenking „dat de langheid of kortheid der sijlben, in alle talen eigenlijk alleen bepaald wordt door den tijd, en niet door den scherpen of doffen toon of het accent" (blz. CXIII). Een heldere en bruikbare indeeling van lange en korte lettergrepen voor het Nederlandsch is een eerste vereischte; de „onbestemdheid" in dezen is een belemmering van gewicht voor onze dichtkunst. Twijfelachtige, langer dan lange en korter dan korte lettergrepen, die toch reeds bij Quintihanus in het gevolg der beide hoofdklassen lang en kort optreden, zijn volgens hem uit den booze; men moet „ze allen brengen tot langen of korten: De Latijnen zijn ons hier in voorgegaan, en ik weet niet waarom wij hen daarin niet zouden volgen" 1). Voor woorden

') De aanmerkingen op deze theorie van twee jongere volgelingen mogen hier in het voorbijgaan een plaats vinden. A. v. d. Woordt oordeelde het rijm „een nutteloos en den aendagt hinderlijk ding"; hij poogde dan eerst zich te richten „naar de regelen der grieksche en latijnsche prosodie, voor zo verre hem die op onze taal toepasselijk schenen"; nadat hij echter „genoegzaam overtuigd was, dat noch hij, noch onze dichtkunst, noch onze musiek... enig voordeel uit de toepassing van de prosodische regelen der ouden op onze taal konden trekken" zag hij van die „meêr musikale prosodie" der ouden af en zocht eigen normen voor het Nederlandsch. Wie deze wil leeren kennen leze Van Alphen's Dichtk. Verhandelingen, waarmee v. d. W. het in hoofdzaak eens is. „Doch hij late zig dan door *t gezag van v. A. niet bewegen om te geloven, dat door t volgen dier regels de korte en lange lettergrepen onzer versvoeten, even als bij de Grieken, en Latijnen, in ene nagenoeg evenredige betrekking van tijd zullen staan: t.w. hij gelove niet, dat door 't volgen derzelven onze korte lettergrepen Un en onze lange twee tempos, die alle drie, ieder afzonderlijk, nagenoeg aan eikanderen gelijk zijn, hebben zullen: 't gene v. A. tog op bl. CIV. te kennen geeft" (Gedichten van A. v. d. Woordt, 1795, „Aan den Lezer", blz. 54-57; in de uitg. door C J. Wenckebach, s-Gravenh. 1843 blz. 4-6; niet in den nadruk door Witsen Geysbeek Amst. 1829). Dat zijn dus Van Alphen's regels, maar accentuatief, of althans niet strikt metrisch opgevat. - P. H. A. J. Strick van & tot Linschoten enz. wijdde zich, nadat de politiek hem den rug had toegekeerd, aan de schoone letteren, vertaalde klassieke oden (Tien Lierzangen van Horatius... Amst. 1808), herzag oude en maakte nieuwe metrische verzen (Gedichten... ald. 1808). Toen zijn „Gedichten" verschenen, had hy er zich smds ruim een jaar mee bezig gehouden zijn prosodische regels tot een sluitend geheel te vormen en in een Verhandeling samen te brengen, die echter te uitvoe-

Sluiten