Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

83

de praktijk belemmerd, maar de miskenning der betrekkelijke metrische vrijheid onzer rijmende verzen heeft omgekeerd de verkeerde theorie in de hand gewerkt. Men heeft, zoo vervolgt hij, het lang- of kortzijn der lettergrepen willen bepalen naar het gebruik en heeft daarbij verzen van goede dichters als materiaal genomen; op grond van die regels heeft men andere verzen van diezelfde dichters veroordeeld, nieuwe verzen gemaakt engekeurd; maar men is altijd van de onderetelling uitgegaan, dat in onze gewone versmaten, voet voor voet, een lange met een korte moet wisselen. Dit nu is volgens Van Alphen een dwaling; onze rijmende verzen, inzonderheid onze alexandrijnen, zijn niet aan zulke strenge metrische eischen gebonden. Hij merkt op dat al onze dichtere, ook in hun goede verzen, de vrijheid genomen hebben spondeën en pyrrhichiën onder hun iamben te mengen, en dat dit in het algemeen niet als een gebrek te beschouwen is. Hiermee treedt Van Alphen dus geheel in het voetspoor van Verwer; en hij gaat nog verder dan deze, door nauwkeurig de plaatsen aan te wijzen, waar in den alexandrijn van deze vrijheid gebruik gemaakt kan worden, nml.: „de spondeus in de vijf eerste voeten, en de

pijrricbius in den tweeden, derden, vierden en vijfden" Hij

staaft dit door talrijke voorbeelden, en ziet in de bedoelde verkeerde opvatting de oorzaak „dat men het getal onzer ancipites bijkans tot in het oneindige vermenigvuldigde" (blz. LXXXVII— XCVI). Het schema van den alexandrijn zou men dus volgens Van Alphen kunnen weergeven als volgt:

Zoo kan dan ook de alexandrijn in elk geval tot de voor onze taal geschikte versmaten gerekend worden, afgezien van de vraag naar „de betrekking van het getal onzer korte lettergrepen tot de langen" (blz. CXIII). Deze hachelijke vraag laat Van Alphen dan ook in het midden; op Schrage's al te lumineuzen inval van de taaleigen versmaat gaat hij geheel niet in.

Van Alphen behoort zeer bepaald tot de voorstanders der nieuwe metrisch-rijmlooze dichtkunst. In een volgend gedeelte zijner Verhandeling (blz. CXV—CLXIII) bepleit hij de geschiktheid van het Nederlandsch daarvoor en het goed recht van toepassing dezer versvormen in bepaalde dichtsoorten. Sommige versmaten hebben het rijm noodig, b.v. de alexandrijnen „wegens hunne monotonie"; in zulke is een zekere metrische vrijheid

Sluiten