Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

85

voorshands zien wij hier den practicus sceptisch staan tegenover zijn meer theoretischen kunstvriend; hij meende reeds nu voort te kunnen werken op het bestaande gebruik. „Het is immers zeker, dat men sints de tijden van Hooft en Vondel, het zij dan min of meer geregeld, in onze gerijmde verzen onderscheid gemaakt heeft tusschen lange en korte woorden of lettergreepen. Het eenige nu, 't welk ik verlang, is, dat men mij vergunne, de woorden of greepen in deze rijmlooze verzen lang en kort te gebruiken, op dien zeiven trant, waarop men zulks in gerijmde verzen gewoon is te doen" (blz. XXIX). En het valt niet te ontkennen, dat Van de Kasteele's hexameters goed te lezen zijn. In de volgende bladzijden geeft hij een overzicht van de verschillende vormen die deze verssoort toelaat. Onder verwijzing naar Klopstock's opmerkingen voor zijn Messias, verklaart hij den trochaeus in plaats van den spondeus, in afwisseling met den dactylus gebruikt te hebben, en merkt op dat Huydecoper's tonentheorie mutatis mutandis ook op den hexameter toepasselijk is (blz. XXXV vlgg.). Schrége's taalkundig uitgangspunt en Van Alphen's aesthetische beschouwingswijze heeft hij niet noodig. De alexandrijn blijft, niettegenstaande Huydecoper's regels van de toonverschillen, de telkens andere rijmklanken en de afwisseling van staand en slepend verseinde, eenvormig, doordat „elke voet, en ieder regel het zelfde getal van lettergreepen behoudt" (blz. XXVI); dat is in den hexameter verholpen en daarom is deze te verkiezen.

0. C. F. Hoffham. — Intusschen was verschenen de Proeve eener Theorie der Nederduitsche Poëzie door O. C. F. Hoffham, Amsterdam 1788 *), een parodie op de officieele genootschappelijke dichtkunde, door een overtuigd aanhanger der moderne richting, niet zonder geest en met groote belezenheid in de Nederlandsche letteren der laatste twee eeuwen opgesteld. In § 24 (blz. 47 vlg.) behandelt Hoffham de schoone stelling: De trant is het ligchaam der vaerzen, waarop in § 25 de nog schoonere volgt: Het rym is de ziel van een vaers. Omtrent den eerste vertelt hij: „Hoewel de vaerstrant eigenlijk den gang of de melodie uitdrukt, waardoor het vaers geschikt word om gezongen te kunnen worden... zo

') De zoogenaamde „Tweede Uitgave", Groningen 1809, is slechts een titel-uitgave.

Sluiten