Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

87

heele bekende wereldletterkunde en poogt met wetenschappelijke objectiviteit daarin twee groepen van versvoeging te onderscheiden, die hij aanduidt als: de Gemeene Dichtkunde en het Konstdicht. De eerste is de natuurlijke en oorspronkelijke dichtwijze bij alle volkeren en berust op den klemtoon; bij de Grieken hield zij stand in de mimi naast de zich ontwikkelde metriek; bij de Romeinen heeft het Grieksche konstdicht haar nooit geheel verdrongen, in de saturnii bleef zij bestaan; de oude christehjke dichters, die tot de breede kringen van het volk wilden spreken, namen haar voor hun doeleinden op; het nieuwe Europa heeft nooit een andere dichtwijze gekend. Pels trof het juist toen hij schreef: „De Trant bestaat bii ons aUeenliik in den Toon", de reeds terloops genoemde verhandeling van Nil Vol. Ard. bevat goede waarnemingen en ook uit „de fijne opmerking van Huydecoper over de hooge en hoogere toonen" kan men „niet als wet, maar als bevordering van bevallige welluidendheid mogeliik eenig nut trekken" (blz. 7,21 vlg. en 77 vlg.). Van Santen maakt er den laatstgenoemde zelfs een ernstig verwijt van, dat hij, op zijn juist standpunt, toch de termen lang en kort bezigt; voor hem is het een uitgemaakte zaak dat „alles, wat zü van de hoegrootheid der greepen gezegd hebben, veeleer toegepast kan en moet worden op derzelver toon, en hoogte en laagte, of schel- en dof-heid" (blz. 77). Hij onderscheidt „Klim- en Daal-verzen" en blijkt alternatie als verplicht te onderstellen. Het Konstdicht daarentegen is een bijzondere artistieke vinding der Grieken: „naamentliik hunne oudste Dichters, tevens Muzikanten ziinden, hebben, de zangkonst te baat nemenden, derzelver grondbeginsels en wetten op de letteren en greepen toegepast; waar door zii een dicht geschapen hebben, welk eene geduurige muziik is" (blz. 37).... „Het konstdicht neemt wel het gemeene dicht tot ziin model, en bootst het na; ook wel ziinen toon; maar het konstdicht dwingt den toon, maakt hem nooit tot ziine wet; zondigt veeleer dikwerf ongestraft tegen denzelven" (blz. 38). De juiste plaats der klemtonen weet ieder die een taal goed spreekt van zelf; het verschil tusschen lang en kort moet men leeren „bii de kunstenaars". Dit is echter ook niet „iets opgeraapts of willekeurigs", maar iets dat evenzeer in „de gesteldheid van aller menschen zintuigen en spraakleden ziinen grond heeft"; het is echter niet iets bepaalds „maar slechts iets betrekkeliiks... eenigermaate zoo als de heele

Sluiten