Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

88

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

of halve nooten in de muziik,hoe zeer de muzikanten de evenredigheid nauwgezetter afmeeten, dan de dichters" (blz. 39). Van Santen geeft dan de klassieke regels voor lang en kort in eenige hoofdtrekken, en laat daarop een uitvoerig overzicht volgen van alle vormen van voeten 1) en verzen, toegelicht met voorbeelden uit Goddaeus, Reizius, v. d. Kasteele, D. J. v. Lennep a), Pasquier, Malherbe en Gesner (dien hij aanhaalt volgens Goddaeus'^ Voorrede). Waar hij geen geschikte voorbeelden vond, vormde hij die zelf. Dit alles is echter in zooverre misleidend, als Van Santen er niet mee bedoelde, dat dit verkieslijke of gebruikehjke Nederlandsche versvormen zouden zijn; hij geeft ze slechts ter verduidelijking van hetgeen eens in de klassieke talen als konstdicht bestond, toen vers en muziek één waren. Zijn „onbewimpeld" gevoelen is, dat men „nooit... de Muziik weder tot die hoogte brengen" zal (blz. 79). Wat men in onze nieuwere talen voor metrische verzen uitgeeft, rekent hij tot een afzonderlijke afdeeling, eenmengklasse, die hij bij gebrek aan een betere benaming „Gemeenkonstdicht" noemt. Van deze soort verzen, die op den klank af, d.w.z. volgens den klemtoon, de beweging van lang en kort in het konstdicht nabootsen, vindt hij reeds voorbeelden in den lateren tijd van de oudheid zelf, zoo de „nagemaakte zesmaat" van Commodianus, tegen de metriek zondigende hexameters, enz. (blz. 81 vlgg. 8). „Deze soort van dicht is, naar miin inzien, dezelfde, als welke nu zedert eenige iaaren dichters van de grootste gaaven en verstand zoo algemeen in Duitschland hebben ingevoerd, en nu werkeliik mannen van niet minder verdiensten in onze Nederduitsche taaie beproeven" (blz. 83) en wel niet alleen den hexameter, maar ook lyrische strophe-vormen. Hij geeft voorbeelden uit Murner, Klopstock, Stolberg, Voss, Ramler, Cramer en voor het Nederlandsch weer Van de Kasteele en Bilderdijk; ook Hooft's „Klaare wat heeft er uw hartie verlept ?" brengt hij inditverband. Van Santen geeft dus geen nadere aanleiding tot het afmeten der

») Zijn merkwaardige vertalingen der oude kunsttermen hebben geen navolging gevonden; b.v. offeraar (spondeus), kiiver (trochaeus), looper (iambus) vinger (dactylus).

») Volgens Hesselink, Holl. Dichtmaat blz. 183, stelde Van Lennep deze voorbeelden op „ten gebruike" van Van Santen.

') Vgl. over deze verzen W. Meyer aus Speyer, Anfang u. Ursprung der latein u. griech. rythm. Dichtung (Abh. d. k. bayr. Akad. d. Wiss. I CL XVII Bd. II Abt. 1885, herdrukt in zijn Gesammelte Abhandl. z. Mittellat. Rythmik, II, Berlin 1905, S. 1.).

Sluiten