Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

of Toonval (van welke de eerste in de opvolging der langer en korter durende, de laatste in die der hooger en lager Minkende geluiden bestaat) of wel van die beide vereenigd; het zij door eene overeenkomst van uitgangen, het zij door eene gelijkheid van aanvang, der voornaamste woorden; zoo zijn hier uit de drie hoofdsoorten van verzen ontstaan, welke of alleen van Maat of toon, of van 't Rijm afhangen, of wel in de eensbeginnende Voorlettergrepen der woorden hun wezen hebben. Deze laatste soort welke bij de oude IJslandsche dichters gebruikelijk was is verloren De twee overige zijn behouden, en deels gemengeld

geworden —" (blz. VII—IX). Uit deze korte opmerkingen blijkt althans, dat Bilderdijk in beginsel een vereeniging van maat en toonval, dus van metrische en accentuatieve onderscfcdding der lettergrepen, had opgemerkt, en men mag aannemen, al zegt hij er dit niet uitdrukkehjk bij, dat hij evenals Schrage en Van Alphen deze „gemengelde" werking in de Nederlandsche versvorming meende waar te nemen. Hij zelf had immers ook dichtproeven in Grieksche strophe-maten gegeven. Later zou hij zich hierover nog nader uitlaten (vlg. beneden blz. 101 v.) doch toen hadden inmiddels Hesselink en Kinker met hun uitvoeriger studies den weg tot verscheiden nieuwe gezichtspunten gebaand. Thans blijkt echter reeds dat Van Santen, als aanhanger der zuivere klemtoontheorie, alleen staat tegenover een nieuwe communis opinio, die bij Schrdge en Van Alphen het eerst duidelijk tot uiting kwam.

Overigens is het van belang op te merken, dat Bilderdijk hier voor het eerst helder uitspreekt dat een vers niet is: een samenstel van voeten; maar in het algemeen: een uitdrukking „op eene zekere wijze afloopende", die in een of anderen evenredigen vorm beantwoord wordt. Dit eenvoudige inzicht is de grondslag, waarop elke redelijke beschouwing gegrond zou moeten zijn; indien iemand toen of in het vervolg zich dit ooit geheel en al duidelijk had gemaakt, had de theorie niet tot op den huidigen dag zoo onbevredigend en tegenstrijdig behoeven te bhjven.

De prijsvraag der Hollandsche Maatschappij.

Intusschen was thans, bij de intrede der nieuwe eeuw, de belangstelling der geletterden op de kwestie der prosodie gericht. De oude gangbare Fransch-klassiek-Nederlandsche en de moderne

Sluiten