Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

heden aan, verfijnt onnauwkeurigheden, ontdekt vele fouten bij goede dichters, — alles met het droevig resultaat dat hij tot een samenstel van zeer verscherpte eischen komt, waartegen in de praktijk rustig voortgezondigd zou moeten worden.

Hij gaat uit van den „gewonen" dichttrant: „Het komt mij voor, dat de Hollandsche Dichtmaat zich in tweederlei opzigt laat beschouwen, of hebbende tot grondslag eene geregelde afwisseling van Accenten of Klemtoonen, of bestaande in eene navolging van de versmaten der Grieken en Latijnen. Ten opzigte van de eerste soorte, zijnde onze gebruikelijke Dichtmaat, is men intusschen ook gewoon te spreken van korte en lange Lettergrepen, van Trochaïsche, Jambische, Anacreontische en soortgelijke verzen en versmaten" (blz. 5 vlg.). De beide in de praktijk naast elkaar bestaande dichtwijzen zijn dus ook hier.evenals bij Van Santen, naast of tegenover elkaar geplaatst, de „gewone" en de metrisch-klassieke. Als een der belangrijkste punten van verschil stelt Hesselink voorop, dat „bij ons" alle verzen „die een gelijk aantal van Voetmaten hebben, ook uit een gelijk aantal van Lettergrepen" bestaan (blz. 9), en voorts waarschuwt hij tegen misverstand, dat voortkomt uit het gebruik van de begrippen lengte en kortheid, van de overneming van den voet als maat en de klassieke termen voor de soorten van voeten. Terwijl echter bij Van Santen de geheele moderne navolging van klassieke maten naar het „Gemeenkonstdicht" verwezen, en dus feitehjk ook onder de zuivere accentwet geplaatst werd, komt Hesselink nu in den loop van zijn betoog tot een onverwachte synthese. „Hoe zeer, sedert Hooft's tijden, alle goede Dichters zich op gehjkvloeijende Maat bijzonder beijverd hebben; zij schijnen echter hierin de volmaaktheid nog niet bereikt te hebben". In het algemeen moet men den dichter wel eenige vrijheid laten, maar de regels moeten althans vast staan. Dat schijnen zij niet, als men er op let hoe vaak verzen, juist ook door de dichters zelf, „kwalijk'", d. w. z. „niet naar de Maat" gelezen worden. Eensdeels worden hierdoor verzen „die ten opzichte van Maat goed zijn" door het verkeerd plaatsen of weglaten van klemtonen verminkt, maar tevens is dit kwalijk lezen „wederom oorzaak, dat de misslagen, die er somwijlen ten dien opzigte begaan zijn, niet gevoeld, maar verheeld worden." „Het is goed, dat men klem en nadruk geve aan die woorden, die boven andere naar eisch der zake dienen uit te steken. Maar juist deze woorden

Sluiten