Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

95

syllaben, waaromtrent ook de moderne physiologen nog geen eenstemmigheid hebben bereikt.

Wat Hesselink's meening is over de vraag, of hetnoodigof wenschehjk kan zijn, naast onze „gewone" dichtwijze een nieuwe te stellen, doet hier niet ter zake; hij geeft blijk van een eenigszins behoudend scepticisme. Zekerhjk kan en moet men volgens hem den tijdsduur der lettergrepen in het Nederlandsche vers tot zijn recht doen komen. „In onze gebruikelijke Dichtmaat heerscht een geregelde afwisseling van Klemtoonen; maar dezen maken altijd eene Lettergreep lang, naardien dezelve oorzaak zijn, dat wij er met de stem langer op vertoeven"; zoo moet men in onze gewone Dichtmaat eigenlijk beide tegehjk toepassen „en is dezelve tot meerdere volmaaktheid te brengen, door meerder acht te geven op de natuurlijke Lengte der Lettergrepen" (blz. 198 vlg.). En in nog hooger mate is dit natuurlij k vereischt voor hen, die metrische verzen trachten te schrijven. Klopstock echter is reeds voorgegaan hierin vrijheid te nemen, door de plaats van lange lettergrepen soms door korte te vervullen (nml. in de spondeeën); Joh. Meerman, in zijn vertaling van de Messias en het daarvoor gevoegde Bericht1), gaat nog verder door te meenen, dat men de lettergrepen eenvoudig lang of kort maakt door een „korter of langer vertoeven van de stem", naar vereischte „bij het lezen" (praktisch dus naar het gehoor evenals v. d. Kasteele). Dit is voor Hesselink, die immers juist op zijn physiologischen grondslag een „quantiteit van nature" meende te vinden, natuurlijk wilde willekeur (blz. 168 vlg.); inderdaad zijn Meerman's verzen niet zeer gelukkig en staan zij verre bij Van de Kasteele's Ossian achter. Tot besluit geeft Hesselink, als Proeven voor zijn regels, een drietal prozafragmenten, waarin hij boven elke syllabe _ of _ plaatst, benevens het nummer van den regel, waardoor die quantiteit wordt bepaald; daarna als vierde even zoo een dichtstukje „Lente", bestaande uit elf volmaakte hexameters. Het valt niet te ontkennen dat de ware cadens er in aanwezig is. Om op deze wijze eenige honderden verzen te bouwen, zou echter vermoedelijk meer dan eenmenschenleef tijdnoodigzijn, vooral wanneer de dichter iets gewichtigere op zijn hart zou hebben dan de beschrijving van eenige geduldige lenteverschijnselen.

') le dl. 's Gravenhaage, 1803; vgl. ook de noot beneden, blz. 107.

Sluiten