Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

96

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

J. Kinker. — In 1810 verscheen daarop Kinker's bekroonde en / terecht vermaard gebleven „Proeve eener Hollandsche Prosodia", een werk dat, hoezeer ook verouderd in zijn tendentie en veel van zijn materiaal, toch van de grootste beteekenis blijft om het oorspronkelijk inzicht en de wetenschappelijke kennis, die erin vereenigd zijn. De strekking van het boek, voor zoover dit het vraagstuk van het al of niet wenschehjke en mogelijke van metrische verzen in het Nederlandsch behandelt, is een beslist „pro", tegenover het „contra", dat Van Santen, Hesselink en ook Schrage met meer of minder voorbehoud deden hooren; in dit opzicht sluiten

/ dus Kinker's beschouwingen aan bij die van Van Alphen.

In de Inleiding zet Kinker zijn verdeeling van de stof uiteen en

. plaatst naast elkaar de termen en begrippen rythmus en metrum, die door de bewoording van de prijsvraag zelf trouwens reeds in het geding waren gebracht. Terwijl zijn voorgangers zich beperkt hadden tot de uitwendige onderscheiding van accentuatieve en metrische verssoorten, en dus onmiddellijk uitgegaan waren van de bestaande tweevuldigheid der praktische dichtkunst, legt hij hier een principieel onderscheid ten grondslag, dat in den aard der taal zelf besloten is en zich dus in beide dichtwijzen doet gelden. Onder rythmus verstaat hij de in elke taal noodzakehjke en in iederen prozazin waarneembare differentiatie van den gang, de beweging, die in hoofdzaak door klemtoon en verheffing ontstaat;

y metrum veronderstelt een meer verfijnde opmerking omtrent het gewicht der afzonderlijke lettergrepen in verhouding tot elkaar, en hun tijdkundige evenredigheid vooral in gebonden rede; het begrip metrum nadert hierdoor, indien het van een vaste versorde gezegd wordt, tot het begrip versschema. „Het Metrum is dus eene fijnere beschaving van eene reeds gevormde taal, terwijl het Rythmus meer door het gebruik der uitspraak daargesteld wordt" (blz. 17). „Die maat, welke de verzen aan de welluidendheid van het frosa ontleenen, kunnen wij meer gevoegelijk het Rythmus, die welke zij van de voetmaat ontvangen, het Metrum noemen" (blz. 143). Toen Hesselink ontdekt had dat naast de zuiver toonkundige (accentuatieve) ook metrische (quantitatieve) eigenschappen van het gesproken woord in het vers van invloed schenen te zijn— een ontdekking waartoe hij juist gekomen was door de beschouwing van zekere vaak voorkomende oneffenheden, beijverde hij zich deze beide elementen zoodanig te omschrijven en te regie-

Sluiten