Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

97

menteeren, dat er geen conflicten meer zouden hoeven voor te komen; door zijn voorschriften deed hij de waarde van zijn ontdekking te niet. Kinker zag in, dat de samenwerkende contrasten, typisch verschillend maar door één wil vereenigd, zich tot schoone harmonie moeten verbinden. Rythmus en metrum in voortdurenden strijd, in steeds wisselende schakeering hun eensgezindheid of hun tweeslachtigheid vertoonend, dat was de kunst, de gemoedsbeweging van het vers, in onze poëzie evenals in de Romeinsche en zelfs de Grieksche. Met voorbeelden, vooral uit Vondel, toont hij aan hoe vaak de ware natuurlij ke schoonheid en kracht van het vers (de „zinnelijkheid" van de melodie, zou Van Alphen zeggen) juist in die conflicten, die vermeende fouten, gelegen is en dus inderdaad uit het aangewezen contrast voortkomt. Ook Van Alphen merkte dergehjke onregelmatigheden niet als gebreken aan en begreep de beteekenis, die zij voor het vers hebben konden; maar hij beschouwde ze nog niet anders dan als toelaatbare of gewenschte vrijheden, concessies aan den dichter, die in zoo'n geval een „spondeus" of „pyrrhichius" in plaats van den „iambus" stellen mocht*).

Hoe juist en oorspronkelijk deze grondslagen van zijn opvatting ook mogen zijn, in zijn verdere beschouwingen weet Kinker zich nog allerminst los te maken van de klassicistische denkwijze, die ten slotte in de eigenschappen der bijzondere lettergrepen en klanken den sleutel voor de verspraktijk meende te zullen vinden. De nieuwe natuurwetenschappelij ke denkrichting, die reeds zoo duidelijk in Schrage's klankphysiologische fantasieën, als ook bij Hesselink tot uiting kwam, doet zich hier wederom in sterke mate gelden. Fransche en Duitsche taalgeleerden en kunstrechters waren op dit gebied reeds werkzaam geweest; het onderzoek naar de toonkundige en maatkundige eigenschappen der klanken en let-

') Het is onmogelijk hier een volledig overzicht van Kinker's geheele theorie te geven; na de inleiding en eenige meer bijzondere uiteenzettingen, onderzoekt hij in „De toonkunde der letters" (blz. 60 vv.) de phonetische eigenschappen der verschillende klanken; daarna (blz. 140 vv.) spreekt hij „Over de 'maatkunde der spraak", hetgeen meer bepaaldelijk ons onderwerp raakt. Dit gedeelte is volgens de juist aangewezen onderscheiding verdeeld in „De metrische maatkunde" (blz. 144 vv.) en „Rythmische maatkunde" (blz. 190 vv.). Daarna volgt de „Toepassing der Hollandsche Prosodia op het Rythmus en Metrum der Ouden, enz." (blz. 229 vv.). Men merke op dat Kinker dus onder de „toonkunde" niet, zooals vele anderen, deleer der klemtonen begrijpt, maar dat deze laatste door hem afzonderlijk als „rythmus" en „rythmische maatkunde" behandeld wordt. Vgl. ook het overzicht door Prof. de Vooys gegeven (Taal en Lett. XV, 1905, 52—57), die voor zijn „Opmerkingen over Nederlandse versbouw" Kinker's theorie als uitgangspunt nam.

7

Sluiten