Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

99

vindt dan echter niet de elementen, die uit zichzelf, of door de bedoeling van hun bestaan en hoedanigheid, de schoonheid van het geheel maken, zooals de door den bouwmeester gevormde en geplaatste deelen van een menschelijk kunstwerk, maar de elementen, wier zelfstandige levende ontwikkeling slechts het materiaal leveren, dat in zijn samenstelling, door allerlei belemmerende en vereffenende krachten der natuur, tot harmonische schoonheid wordt gebracht, — hoe persoonlijk en doelbewust men zich dezen samenstellenden „geest" der natuur ook denken mag. Hier nu ligt een kernwaarheid, die de versbeschouwing beheerschen moet: al is een vers ook ongetwijfeld een voortbrengsel van menschelijke kunst, het materiaal waaruit het wordt opgebouwd is niet steen of hout, zelfs niet kleur, maar de onbestorven levende taal, met haar eigen drang, haar zelfstandigen rythmischen pols. En hoe ongerepter deze drang in het vers behouden is, hoe intenser het rythmischeleven van de taal zich daarbinnen kan bewegen, des te" voller en rijker is de harmonie der verzen. De dichter, of de doorhem gekozen versmaat, geeft een leidende bedoeling daarboven, evenals de geest der natuur, hij vereffent tot aesthetische evenredigheid, hij bouwt niet op uit vooraf overwogen en geschikt gemaakte eenheden.

Als die kleinste afzonderlijke deeltjes van het vers kan men de woorden en de hen vormende klanken onderzoeken, hun eigenschappen noemen en bepalen, maar men heeft daarmee niet de elementen aangewezen, die uit zich zelf het harmonisch geheel vormen. Deze twee dingen nu heeft Kinker niet onderscheiden; daarin ligt het misleidende van zijn begrip metrum, dat detijdkundige „metrische" eigenschap der woorddeelen in onmiddellijk verband brengt met die van het „metrisch" geheel, het „metrum" of versschema. Hierdoor valt hij voor dit deel van zijn onderzoek terug in de oude fout, die door de overneming der klassieke zienswijze werd ingevoerd, hoezeer zijn opvatting ook elders van principieel juister inzicht getuigt.

De „Metrische Maatkunde" dan bestaat (blz. 144 vlgg.) „in de kennis der evenredigheden en betrekkingen, waarin de lettergrepen, als hoegrootheden, in den tijd tot elkander staan. Zij zijn langer of korter naar mate de letters, waaruit zij bestaan, eenen meerderen of minderen tijd in de uitspraak vorderen. Deze lengte of kortheid is, uit tweederlei hoofde, betrekkehjk en niet volstrekt:

Sluiten